Dubbelpret

Dubbelbloed “All over the world!” Een serie gesprekken.

 

Niet alles kan verteld worden noch gevraagd. Het zijn die ‘leegtes’ die een ander soort verstaan vereisen. Die van liefde en respect. Antwoorden noch inzichten laten zich afdwingen. De ruimte van het mens-zijn.

 

Foto: Sabrina van Jursa Kulturu waar ik een Pangi kocht voor Claudia als dank voor dit interview.

 


Dubbelpret –  Door Etchica Voorn

 

In gesprek met Claudia Esser (1964), dochter van een witte Jordanese moeder en een zwarte Surinaamse vader. In het dagelijks leven is ze ambachtelijk grimeuse.

Het is de eerste keer dat ik een vriendin interview over zwart én wit zijn. Spannend, omdat ik inschat dat we ons dubbelbloed heel anders ervaren. Wie zit er achter de mens Claudia Esser die ík ken? Zou het praten over ons dubbelbloed onze relatie verdiepen of veranderen?
We kennen elkaar een jaar of tien via een gezamenlijke Surinaamse vriendin. We maken vooral grappen en grollen over onze roots. Vaak met een vet Surinaams accent. Want hoewel we beiden ‘wit’ zijn opgegroeid en amper een woord Sranantongo praten, weten we de Surinaamse tongval feilloos na te bootsen.

Vrijdagmiddag om vier uur zit ik klaar met blocnote, telefoon en een ijskoude dyogo Parbobier. Claudia wervelt binnen met een grote bos kleurige zomerbloemen. We geven elkaar een innige brasa, dat gaat gepaard met veel lachen en uitroepen.

“Wat leuk chic, Parbobier!” roept ze enthousiast bij het zien van de donkerbruine literfles.

Claudia heeft een lichtbruine kleur en diep donkerbruine ogen. De enkele rimpels die ze heeft zijn van het lachen. De blonde krullen van haar verder korte kapsel vallen over haar voorhoofd. Lang en slank, een knappe verschijning. Ze beschouwt zichzelf als Nederlands maar in het gesprek zegt ze meerdere keren nadrukkelijk dat ze óók Surinaams is. Op haar friyari zijn de homemade pom en kip met rijst en kousenband – gesneden als dóppers – vaste prik.

Ik schenk het bier schuimend in de plastic bekers en stel de eerste vraag:

Waar stond je wieg?

Mijn Jordanese grootouders gingen vanuit de Jordaan ‘op chic’ wonen in de Spaarndammerbuurt, ook wel bekend als de moord-en-brand-buurt. Zij woonden in de Nova Zemblastraat. In dat huis ben ik geboren net als mijn moeder.

Welke eigenschap heb je echt van haar?
Mijn stem, honderd procent mijn moeder. Mijn vader was veel afwezig, dus ben ik door haar gevormd en leek ik innerlijk op haar. Naarmate ik ouder word steeds minder. Mijn moeder was mijn held. Ik was achtentwintig toen ze overleed en was zelf nét moeder. Na haar dood heb ik ontdekt wie ze echt was en heb ik haar van haar voetstuk gehaald. Ik wilde niet meer op haar lijken.

Iedereen heeft een donkere en een lichte kant. Als je naar haar lichte kant kijkt, wat zou je dan in haar herkennen?

Ze had het vermogen om het leven leuk te maken, dat heb ik ook, maar dát heeft mijn vader ook. Dubbelop dus, dubbelpret. (lachsalvo)

Waar stond de wieg van je vader?

Mijn opa was ingenieur, hij kreeg een baan bij de Shell en dus vertrokken mijn grootouders naar Curaçao. Mijn vader is geboren in Willemstad. Mijn opa had dusdanige losse handjes dat mijn oma mijn vader ter bescherming naar Nederland stuurde. Naar zijn tante Sylvie, zij woonde in de Nova Zemblastraat. Zo werd mijn vader de buurjongen van mijn moeder.

Ze werden verliefd, maar dat kon natuurlijk niet in de Jordanese familie. De schande van de buurt. Er was maar één manier om af te dwingen dat mijn vader bij mijn moeder kon wonen en dat was kinderen krijgen. Een zwarte man, een witte vrouw, ongetrouwd én twee kinderen. Laat ik zeggen dat we pioniers waren.

Opgroeien.

Mijn overgrootmoeder woonde ook in die straat. Weet je wat ze zei? “Die zwarten? Die zijn niet van mij.” Mijn oma was juist dol op ons en heeft ons in de roomboter gebakken, maar ze ging niet met ons naar haar moeder, wij mochten daar niet binnenkomen.
Maar ik was me nooit bewust van mijn kleur, mijn witte familie heeft me altijd heel veel liefde gegeven.

Wanneer werd je bewust van je kleur? En wat was de aanleiding?

De eerste keer dat ik echt gediscrimineerd werd, was toen ik met mijn ouders en broer in België woonde. We waren de enige kleurlingen op school. Maar ik bewoog me net als die andere kinderen. Op een gegeven moment was er een groepje jongens die hadden ons gespot en begonnen met schelden. “Hot chocolat!” schreeuwde een gozer. Of: “Molukkers.”

Op de derde dag ben ik op degene met de grootste bek afgestapt en heb gezegd: “Dit moet je niet doen.” “Hoezo, hot chocolat?” antwoordde hij. Toen heb ik hem neergeslagen en nooit meer last gehad.

Ik was een Amsterdams kind en streetwise. Er was vast vaker discriminatie, maar mijn vader deed overal luchtig over, dus ook dáárover.

Op welke plek voel je je het meeste thuis? En wat is thuis voor jou?

Ik ben Nederlands en voel me thuis bij witte mensen want daar ben ik bij opgegroeid.

In wat ben jij typisch Surinaams?

Ik eet heel graag Surinaams, ik lach heel graag en ik dans graag. Ik heb veel dingen die veel Surinaamser zijn dan bij Nederlandse mensen. Ik heb absoluut een tropische inslag, bijvoorbeeld de Nederlandse begrafenistraditie vind ik verschrikkelijk, terwijl, op een Surinaamse begrafenis daar ben ik thuis bij de Surinamers.

(Ze valt even stil.)

Ik geloof ook in geesten, ook heel erg Surinaams.

Wat geloof je dan?

Mijn Surinaamse oma – ik heb haar goed gekend – was een heks. Een lieve heks. Zij heeft dingen voor elkaar gekregen die helemaal niet kunnen. Op een dag belde ze mijn vader en zei: “Breng me naar mijn zus.” Gebiedende wijs, zoals dat gaat op zijn Surinaams. Mijn vader vroeg haar waarom, maar ze duldde geen tegenspraak en zei: “Jongen breng me naar mijn zus!” Haar broer, Bram, woonde in Suriname, hij bleek zeer ernstig ziek. Ze moesten gaan bidden. Dat zijn sessies van twaalf uur. De volgende dag was hij beter, terwijl hij op sterven lag. Die kracht, weet je dat is zo sterk. Ik geloof in die krachten.

Nam je vader je mee in de Surinaamse cultuur en traditie?

We hadden de witte kerst – met rollade en andere viezigheid – en we hadden de zwarte kerst. Als wij feesten hadden, waren het altijd Surinaamse feesten. Alles was veel: het eten, het lawaai, de muziek en heel veel liefde. Mijn moeder kookte Hollandse pot en Surinaams. Het Nederlandse en Surinaamse was thuis in balans.

In wat ben jij typisch Nederlands?

Ik ben heel ruimdenkend, maar misschien is dat wel typisch Amsterdams. Ik hou van André Hazes Sr. Ik ben eerder Amsterdams dan Nederlands.

Kantelpunt.

Mijn dochter heeft het Barlaeus Gymnasium in Amsterdam doorlopen. Je zou zeggen, dan word je toch breed opgeleid. Anderhalve bladzijde hebben we gevonden over de slavernij, meer niet. Dat vind ik echt schandalig. Daar zou ik me voor in willen zetten, om het slavernij verleden reëel op de kaart te zetten. Het moet in de geschiedenisboekjes.

In hoeverre doet je kleur mee met jouw identiteit?

Voor mij niet maar voor andere mensen wel. Ik hoor bijvoorbeeld altijd, ik zie jou helemaal niet als halfzwart. Maar dat ben ik welzéker! Vroeger was ik een catch, dat klinkt raar, maar mensen deden hun best om bevriend met me te zijn. Ik had wel het idee dat dat met het exotische te maken had. Ik zag er anders uit en dat was aantrekkelijk.

Weet je, ik ben altijd zelfverzekerd geweest, heb nergens last van. Ik heb van mij af leren bijten. Als mensen mij aanvallen ben ik verbaal een mitrailleur en dan eindigen ze huilend in een hoekje. (Lacht een vette lach.)

Is dat ook niet een manier om dingen niet echt binnen te laten komen?

Maar dat heeft niets met kleur te maken.

Eens, maar het gaat om identiteit, en je kleur is daar onderdeel van, toch?

Nee, ik vind niet dat mijn streetwise zijn iets met mijn kleur te maken heeft. In mijn geval was het ingewikkeld om mijn identiteit te vormen. Laat ik het zo zeggen. Van kleins af aan was het overleven. En dat overleven heb ik vechtend gedaan. Pas rond mijn vijfenveertigste kreeg ik door wie ik was.

Wat was het dat je dacht, dit ben ik?

Mensen zagen mij als een gevoelloos iemand met een grote bek, maar dan dacht ik: hoe kun je dat nou zeggen, dat bén ik helemaal niet. Blijkbaar had ik dat wel uitgestraald. Ik dacht, ik ben helemaal niet wie jullie allemaal denken die ik ben. Dat is wel handig dat jullie dat dachten, maar nu is het tijd om naar mezelf te gaan.

Ik vind mezelf lief en aardig en zeker niet gevoelloos. Ik heb wel een grote bek, dat hoort erbij. Als het nodig is, schakel ik meteen terug naar mijn overlevingsstand. Mijn midden veertig was een kantelpunt, toen werd ik bewuster van mijn zwart zijn. Het grappige is dat ik vroeger nooit zwarte vrienden had en nu wel. Geen bosjes, maar de meesten in mijn kring hebben wel een kleurtje. Ik denk dat dat komt doordat ik mezelf herken, pure herkenning.

Ik nam deel aan een ontbijtdialoogtafel op Ketikoti en moest kiezen of ik wit of zwart was, in verband met de tafelsetting. Wat zou jij doen?

Als de setting zou zijn, links wit en rechts zwart, dan ga ik in het midden zitten. Daar hoor ik en nergens anders. En ik zou zeggen tegen die mensen, ga een lesje inclusiviteit doen, ben je nou helemaal gek.

Heb je een dubbelbloed blooper?

(Ze denkt even na.)

Ik ging op vakantie naar Zuid-Afrika met Patrick, mijn witte partner. Mijn kinderen waren in paniek dat ik naar het land ging waar ik vast en zeker gediscrimineerd zou worden. Vanaf het vliegveld namen we een taxi, de chauffeur was van Indiase afkomst, in Zuid-Afrikaanse begrippen coloured. Ik vraag aan hem: “Denk jij dat ik het hier moeilijk ga krijgen?” Hij keek me aan in zijn achteruitkijkspiegel, fronste zijn gezicht en zei: “Why?”

 

Voor Claudia een “Alakondre” pangi. ‘Dat betekent dat je alle gidsen die je bij je draagt, eert.’ Aldus Sabrina van Jursa Kulturu

Bestel hier een exemplaar van Dubbelbloed!