Couscous en speklapjes

Dubbelbloed “All over the world!”

Een serie gesprekken met dubbelbloeden, binnen en buiten de landsgrenzen

 

Couscous en speklapjes – door Etchica Voorn

Vandaag praat ik met Bouchaib. Hij werkt als supportmedewerker op een afdeling klantenservice, heeft een vriendin en geniet van het multiculturele stadsleven.  Bouchaib is Marokkaans-Nederlands-Surinaams, maar hij voélt zich Nederlander. Behalve als we het over eten hebben, dan heeft hij het vooral over couscous en zoutvlees. Hij vindt zijn eigen kleur supermooi, maar verder is hij “er niet mee bezig”. Ik ben dan ook razend nieuwsgierig hoe hij zich verhoudt tot zijn roots en hoe hij in het leven staat.
Zijn naam heb ik tot mijn  schaamte drie keer verkeerd uitgesproken en fout gespeld. Als eerste besluit ik om dit recht te zetten.

Hoe heet je precies en waar komt je naam vandaan?

Bouchaib Mokhtar  El-Kebir. Bouchaib (spreek uit: Boesjeib) betekent dorpsoudste en was een profeet. In de koran staat een verhaal over deze profeet: op een druk bezochte markt werden de mensen bestolen door de marktlui. Zij hadden hun gewichten niet goed afgesteld. De mensen kregen daardoor minder waar voor hun geld. De profeet kreeg een ingeving en sprak hen toe dat ze eerlijk handel moesten drijven, want anders zou God hen straffen. De marktlui luisterden niet en toen is die markt afgefikt. Maar ík ben heel vredelievend hoor. (Een smakelijke lach.)

De stemming zit er meteen goed in. Grinnikend vervolgt hij:

Ik ben vernoemd naar mijn opa, Mokhtar Bouchaib en mijn tante heet Mokhtara, Mokhtar is een echte familienaam. El-Kebir betekent  De Groot. Dat is afgeleid van het feit dat mijn voorouders grootgrondbezitters waren in Marokko en Algerije.

Waar stond je wieg?
Ik ben geboren in ziekenhuis BovenIJ in Amsterdam-Noord op 28 november 1988.

Hoe ben je opgegroeid?
Tja, ik zou zeggen, normaal. Mijn eerste levensjaar woonde ik op de Meeuwenlaan in Amsterdam-Noord, daarna ben ik tot mijn vijftiende jaar in Tuindorp opgegroeid. Uiteindelijk ben ik verhuisd naar Zaandam, waar ik mijn middelbare school heb afgemaakt. In mijn jeugd gingen we op vakantie naar Marokko én naar de camping in Twente. Wij waren het enige donkere gezin op die camping. Ik was populair; wij kwamen als enige uit Amsterdam, waren goed gebekt én we hadden een kleur. Ik had daar allemaal oudere vrienden die mij meenamen om te stappen. De leukste dingen heb ik daar meegemaakt.

Waar stond de wieg van je moeder
In Amsterdam-West in de buurt van het Westerpark. Haar moeder komt uit Den Helder, haar biologische vader is een Surinaamse man, maar die heeft zij nooit gekend, hij vertrok al vóór haar geboorte.

Mijn oma is hertrouwd met een Marokkaanse man, en dat is mijn opa. Mijn moeder draagt zijn naam, Safi, Arabisch voor “genoeg”. Opa en oma hebben helaas Alzheimer. Mijn opa heeft het al heel lang. Hij werkte in de scheepsbouw met giftige stoffen. Het vermoeden bestaat dat dit de oorzaak is van zijn ziekte. Mijn oma heeft sinds een paar jaar Alzheimer. Inmiddels wonen ze in hetzelfde verpleeghuis, maar wel op verschillende afdelingen.

Welke eigenschappen heb je van je moeder?
Mijn sociale gedrag heb ik echt van mijn moeder, mijn openheid naar anderen. Altijd in voor een dansje, lekker gek doen. We delen dezelfde humor, mijn moeder is een gangmaker en je kunt haar al van verre horen op een feestje. Als ze met mijn tante belt – die tegenover haar woont –  vraag ik: “Waarom hebben jullie telefoon, jullie kunnen elkaar zo ook wel horen.” Behalve het koken van Surinaams eten zit er niets Surinaams in bij mijn moeder, ze is opgevoed door haar Nederlandse moeder en Marokkaanse vader. Ik ben zelf ook niet nieuwsgierig naar het Surinaamse.

Waar stond de wieg van je vader?
Mijn vader is geboren in 1965 in Oran, een plaats in Algerije.  Zijn ouders kwamen uit Marokko, maar woonden een tijdje in Algerije. Gedwongen door omstandigheden keerden ze terug naar Marokko, voordat ze, toen mijn vader drie jaar was, naar Nederland vertrokken.

Vroeger ging ik met mijn opa (dus de niet biologische vader van mijn moeder) elk jaar naar Marokko, naar zijn familie. De vader van mijn vader was er op tegen dat mijn vader een relatie had met een Nederlandse vrouw. Daarom gingen we nooit naar mijn vaders familie. Zijn vader is al vroeg overleden. Zijn moeder, mijn oma, heb ik wel ontmoet, maar dat contact is verwaterd. Mijn vader heeft het er lastig mee gehad dat mijn moeder niet werd geaccepteerd. Dat was van invloed op de relatie van mijn ouders. Ze zijn zelfs even uit elkaar geweest. Maar ook weer hertrouwd.

Ben je meegenomen in de Marokkaanse, Surinaamse cultuur en traditie?

 Ik spreek geen woord Arabisch of Surinaams, hooguit wat woorden van de straat. Ik ben niet opgegroeid met die culturen en heb een klein beetje Marokkaans meegekregen. Mijn vader is verkaasd, omdat hij al op zijn derde jaar naar Nederland is gekomen. Zijn ouders kozen er heel bewust voor om in de Nederlandse gemeenschap te wonen, op de grens met een “Marokkaanse buurt”. Ik vind het dan wel apart dat ze niet konden accepteren dat mijn vader met een Nederlandse vrouw omging.
Waarschijnlijk heeft dat met de religie te maken. Mijn vader is gematigd moslim en gaat bijna nooit naar de moskee. Maar hij heeft ons (Bouchaib en twee broertjes red.) altijd vrijgelaten. Een blauwe maandag ging ik zondags naar de Arabische school voor Arabische les. Op zondag naar school was niet echt mijn ding (lacht). Om te zeggen dat ik atheïst ben gaat me te ver, maar eerlijk gezegd ben ik tegen religie. Omdat ik zie dat het veel pijn doet in de wereld, al zitten er ook goeie kanten aan. Als iemand liefde en rust vindt in het geloof dan vind ik dat heel mooi. Maar het brengt zóveel narigheid met zich mee.
Bouchaib zucht en pauzeert even voordat hij vervolgt: Geloof is een gevoel, het is niet te bewijzen. En dat gevoel, dat heb ik niet.

Wanneer werd je bewust van je kleur? En wat was de aanleiding?
Mijn vriendjes waren altijd wit, ik was me ervan bewust dat ik er anders uitzag. Ik heb dat nooit als negatief ervaren. Ik voelde me niet anders. Nog steeds voel ik me niet Marokkaans of Surinaams maar Nederlands. Mijn moeder heeft een lichtbruine kleur, terwijl haar zusters veel witter zijn. Daar kreeg ik vaak vragen over, waarom is jouw moeder donkerder dan je tantes? Soms krijg ik de vraag waar kom je echt vandaan. Ik heb er niet altijd zin in, maar meestal leg ik wel uit hoe het zit, mijn moeder is half Surinaams half Nederlands en mijn vader Marokkaans.  Pas op mijn vijftiende jaar vertelde mijn moeder dat haar biologische vader een Surinaamse man was. Voor mij veranderde er niets, want haar vader bleef mijn Marokkaanse opa, waar ik als kind elk jaar mee naar Marokko ging.

In hoeverre doet je kleur mee met jouw identiteit?
Mijn kleur staat voor mijn roots, mijn Marokkaanse vader en mijn Surinaams-Nederlandse moeder. Zij hebben mijn kleur gemengd en ik had geen andere kleur willen hebben. Opmerkingen over mijn kleur heb ik me nooit persoonlijk aangetrokken. Natuurlijk zie ik wat er gebeurt in de maatschappij. Liever begin ik er niet over, want ik vind het zó naar, ik ben er helemaal klaar mee… maar de zwartepietendiscussie. Er wordt alleen maar geschreeuwd naar elkaar en niet geluisterd, er valt niet meer over te praten en dat vind ik heel jammer.

Het is een verleden en we moeten er vanaf, al heel lang.  Het is niet iets waar we trots op kunnen zijn als Nederland. Dat het ieder jaar weer terugkomt, brengt pijn bij mensen. Zelf heb ik die pijn nooit ervaren, Zwarte Piet en Sinterklaas, vond ik heel leuk. Ik heb het ook weleens naar mijn hoofd geslingerd gekregen “hé zwarte piet”, maar ik trok me er niet zoveel van aan. Toch kan ik heel goed de andere kant zien; dat andere mensen er wel veel verdriet van kunnen hebben.

Ik vind het goed dat de NPO de leiding neemt en het beeld op tv gaat veranderen (roetveegpiet red.), maar eigenlijk vind ik het een compromis van lik-m’n-vestje. Maar ja, het is geven en nemen. Mijn vrienden zijn anti-Zwarte Piet, we kunnen er goed met elkaar over praten. Maar de nieuwe vriendin van mijn vader, een wat oudere dame, ziet het racistische punt van Zwarte Piet niet. Ik heb het haar geprobeerd uit te leggen maar zij neemt het gewoon niet in zich op.

Sinds mijn twaalfde jaar zijn we trouwens overgestapt op kerst en het Suikerfeest. Lekker dubbelop en veel leuker!

Hoe denk je dat de buitenwereld jou ziet?
Ik heb op de klantenservice bij Bol.com gewerkt in Portugal. Ik had een klant aan de telefoon die helemaal happy was, omdat ik alles voor hem had opgelost. Toen wilde hij mijn naam weten. Ik vertel het hem en vervolg automatisch: “Ik zal dat even voor u spellen.”
“Waar komt die naam vandaan?” vroeg hij.
“Dat is een Arabische naam,” antwoordde ik.
“Je spreekt wel goed Nederlands voor iemand met een Arabische naam.”
Waarop ik zei: ”Bedankt, ik bén ook net zo Nederlands als u bent.” Vaak maakten collega’s het grapje: zullen we er Bob van maken? Dat is een stuk handiger! Ik hou wel van die grapjes en ben erg nuchter in die dingen, je kunt het zo zwaar maken als je zelf wilt.

Heel lang was ik werkzaam bij een Amsterdams juwelenbedrijf, een familiebedrijf. Helaas gingen ze failliet. Vanwege mijn Arabische naam heb ik het heel lastig gehad met solliciteren, terwijl ik honderd procent geschikt was voor banen kreeg ik vaak niet eens antwoord en werd nooit uitgenodigd. Ik had echt het gevoel dat ik geen reactie kreeg vanwege mijn naam. Alle vereisten had ik: de ervaring, de opleiding, competenties en een goeie brief mét referenties. Dat vond ik wél moeilijk en heel vervelend. Het heeft een jaar geduurd, voordat ik ergens werd aangenomen! Dat heeft me meer pijn gedaan dan dat ik zwarte piet genoemd werd.

Mijn vader steunde me in die periode volledig. Hij zei: “Als ze je alleen willen aannemen als je Bob de Groot heet, laat dan maar zitten.” Hij hield me voor om de eer aan mezelf te houden en trouw te blijven aan mijn eigen naam.

Op welke plek voel je je het meeste thuis? En wat is thuis voor jou?
Waar ik me veilig voel. Waar je liefde ontvangt. Zoals in Portugal toen ik bij Bol werkte, daar voelde ik me prima thuis, omdat ik veel leuke mensen om me heen had. Maar het thuisfront miste me en ik vond het ook weer fijn om terug naar Nederland te gaan. Maar ik ben niet aan één plek gebonden.

In wat ben jij typisch Surinaams? Marokkaans? Nederlands?

Je zorgt eerst voor anderen dan pas voor jezelf, die boodschap heb ik meegekregen van mijn vader. Er werd altijd veel meer gekookt, zodat iedereen mee kon eten. Het is heel Nederlands om dat niet te doen. Ik maakte wel mee dat ik bij een vriendje was en werd weggestuurd om vijf uur met de tekst: we hebben maar zes aardappels en drie stukjes vlees. Bij ons zou de gast juist dat stukje vlees krijgen, of, we gaan nog even boodschappen doen. In dat opzicht ben ik Marokkaans.

Verder werd ik nooit actief betrokken in de Marokkaanse cultuur. In de Surinaamse nog minder, behalve met eten. Ik ben gek op couscous én ik eet graag zoutvlees, maar mijn lievelingsgerecht is nog altijd andijviestamppot, mét een speklapje. Een grapje thuis was altijd couscous met appelmoes, daar hou ik ook van. Zelf maak ik graag Marokkaanse gehaktballetjes én Surinaamse bami. Dat is wat ik bedoel, met dat het eten met elkaar versmelt. Mijn directe familie is niet groot maar wel eén grote versmolten familie en ik blend overal goed in. Ik denk dat na alle versmelting de nieuwe generatie is ontstaan. De Nieuwe Nederlander, dat ben ik. Voor mij is dat heel gewoon. Mijn vriendengroep is wit, Turks en een paar Surinaamse vrienden, overwegend de bevolking in Zaandam.

Als ik er nu over nadenk voel ik me het meeste aangetrokken tot wit. Ik denk omdat ik daar volledig geaccepteerd word en ik kom meer met de witte kant in aanraking. Maar, ik voel me heel vrij. In mij is alles één cultuur. Laatst zei een vriend van me over mij: “Hij is zo verkaasd als het maar kan.” Ik zie dat niet zo, voor mij valt het samen.

Ik nam deel aan een ontbijtdialoogtafel op Ketikoti en moest kiezen of ik wit of zwart was, in verband met de tafelsetting. Wat zou jij doen?

Ik zou wel zwart kiezen. Omdat dat de eerste indruk is die ik afgeef. (weifelend) Ja, ik geloof dat ik mezelf  wel zwart vind… alhoewel ik vind zwart een naar woord. Ik zeg liever gekleurd.

Heb je een dubbelbloed blooper?

Geen blooper, ik zou het echt niet weten. Wel heb ik al heel lang een droom. Om met mijn vader door de Sahara te trekken.

 

 

Altijd als eerste de nieuwste blogs lezen? Abonneer je op het Dubbelbloed blog. www.dubbelbloed.eu/abonneer/

Bestel hier een exemplaar van Dubbelbloed!

Een echte Daniël

Photocredits Armando Ello

 

Dubbelbloed “All over the world!”

Een serie gesprekken met dubbelbloeden, binnen en buiten de landsgrenzen

 

Een echte Daniël – door Etchica Voorn

Wouter Neuhaus (1985) heeft een Indische (met Afrikaanse invloeden) moeder en een witte Nederlandse vader. Hij is finance consultant bij het bedrijf Goedemensen en woont in Hoorn met zijn Surinaamse vrouw Jade en hun driejarige beauty queen Deja.

Wouter is gepassioneerd over de geschiedenis van Nederlands-Indië. Zijn opa, oud KNIL-militair (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger) met Indo-Afrikaanse roots, is hoofdpersoon in de documentaire De vergeten krijgers (uitgezonden op 14 augustus 2019). Van jongs af aan slurpte Wouter de verhalen op die zijn opa hem vertelde. Als volwassene werd de impact van de geschiedenis van zijn voorouders nog groter. Hij beloofde zijn opa zich in te zetten om de Indo-Afrikaanse verhalen wereldkundig te maken. Wouter zegt hierover: “Ik zie het als mijn taak en als een eerbetoon aan mijn opa en voorouders.”

Hij stapt mijn appartement in de Sarphatistraat binnen in een onberispelijke outfit. Modern, strak pak, daaronder glimmende zwarte puntschoenen. Met open blik en een lach op zijn gezicht kijkt hij me aan.

Waar stond je wieg?

Ik ben geboren op 31 augustus 1985 in het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis in Amsterdam als jongste van een tweeling. Ik heb een tweelingbroer.

Waar stond de wieg van je moeder?

Jakarta. Toen ze drie maanden was, is ze met haar ouders naar Nederland gekomen.

Welke eigenschap heb je van haar? Waarin lijk je op je moeder?

Moeilijke vraag… Als zij vroeger op het schoolplein kwam in haar mooie manteljas, viel dat op. Ze werkte bij de bank, een business woman. Daarin lijk ik op haar. Verzorgd. Mijn moeder is rustig en intelligent. Ze kan goed dingen overzien en relativeren. Maar ik heb nooit echt over de geschiedenis kunnen praten met mijn moeder, weinig gesproken over ons verleden en onze afkomst. Hoe Indo-Afrikaans ik me ook voel, met haar kan ik dat niet altijd delen. Mijn moeder voelt zich heel Nederlands. Zij is opgevoed door mijn oma in de koloniale tijd, die zich ook heel Hollands voelde. Nederlandse gewoonten werden overgenomen en de Indonesische mores werd afgeleerd.

Mijn moeder heeft bijvoorbeeld niet de drang om terug te gaan naar Indonesië, ik heb die drang wel, maar ik ben er nog nooit geweest. Het komt erop neer dat ik uiterlijk meer op mijn moeder lijk dan innerlijk. Ik trok altijd meer naar mijn opa en oma. Je bent een echte Daniël zei mijn oma altijd, zo heet mijn opa.

Waarin lijk je op je vader?

De felheid heb ik van mijn vader. Ik wil graag mijn gelijk halen, meestal héb ik ook gelijk (schaterlach) Ik kan flink de discussie aangaan. Wij konden vroeger zo boos worden op elkaar, dat het soms bijna knokken werd. Dan belde ik mijn opa en vroeg of ik bij hen mocht komen wonen. Mijn opa luisterde rustig en zei: “Dat mag, maar je moet het éérst uitpraten met je ouders.” Slim van hem, want als je praat, ga je niet weg natuurlijk.Welke invloed heeft je naam op jouw identiteit?

Als kind wilde ik nooit Wouter heten dus noemde ik me Daniël. Daniël Cordus, naar mijn opa. Zelfs op school noemde ik me zo. Mijn meester zei weleens: dat gaat je vader niet leuk vinden. Maar ik identificeerde me met mijn opa. Ik voelde me géén Wouter. Dat is veranderd. Mijn naam is mij gegeven door mijn ouders en daar ben ik oprecht trots op.

In mijn werk zorgt mijn naam voor verwarring. Het eerste contact is altijd telefonisch. Als klanten mij voor het eerst zien hoor ik vaak: “Oh, ik dacht dat je een oer-Hollandse jongen was!” Dan zeg ik: “Dat ben ik ook, ik ben gewoon hier geboren.”

En je achternaam, Neuhaus?

Dat heb ik nog niet uitgezocht. Waarschijnlijk richting Duitsland, Zwitserland of Oostenrijk. En in Antwerpen heb je de Neuhaus bonbons. Daarom ben ik gek op chocola (grinnikt).

Waar stond de wieg van vader Neuhaus?

Geboren in Utrecht, maar als kind vertrokken naar Amsterdam en opgegroeid op de Zeedijk. Ter hoogte van het bekende Thaise restaurant Birds. Een heftige tijd. In die buurt heeft hij leren knokken, het was moeilijk voor mijn vader én hij moest altijd opkomen voor zijn oudere broer. Mijn vader vertelt niet veel over zijn jeugd, maar ik moet eerlijk bekennen dat ik er ook niet naar vraag.

Hoe ben je opgegroeid?

Ik heb een jeugd gehad waarin alles aanwezig was. Echt álles. Omdat mijn vader het zwaar gehad heeft vroeger, wilde hij het allerbeste voor ons. Tenminste, dat denk ik. Wij kregen alles wat we wilden. Onze verjaardagen waren extreem. We gingen bijvoorbeeld naar een pretpark en kregen ook nog een Gameboy. Daar zorgde hij voor. We kwamen niets tekort en werden schaamteloos verwend. Aan de andere kant werd ons vroeg geleerd dat je moest werken voor je geld. Onze vader heeft een sportschool voor karate en jiu jitsu. Op maandagmiddag moesten wij de matten neerleggen voor de lessen. Daar kregen we één gulden voor! Hij heeft een carrière kunnen maken door op latere leeftijd een opleiding te volgen en hard te werken. Ik vind het wel heel knap hoe mijn vader dat gedaan heeft.

Sport was enorm belangrijk in mijn jeugd, ik ben gestart met judo en jiu jitsu. Vanaf mijn twaalfde jaar deed ik aan karate, echt mijn spelletje. Op mijn achttiende heb ik het serieus aangepakt en kwam ik terecht in Leeuwarden voor trainingen. Acht jaar lang maakte ik deel uit van de nationale ploeg en in 2011 werd ik Nederlands kampioen. Een  hectisch leven. Ik werd genomineerd om mee te doen aan de Europese kampioenschappen, maar door gedoe in de bond ging het uiteindelijk niet door. Dat was een klap in mijn gezicht. Vanaf toen heb ik mijn leven drastisch veranderd en ben ik me gaan focussen op mijn privé en carrière. Trainen doe ik nog steeds, dat hoort bij mij. En training geven aan kinderen dat vind ik heel erg leuk.

Wanneer werd je bewust van je kleur? En wat was de aanleiding?

Ik voelde me altijd heel Indisch, vanaf dat ik naar de basisschool ging. Toen al wilde ik de naam van mijn opa dragen. In het overwegend witte Hoorn was het racisme heel subtiel. Mijn broer en ik werden vaak uitgescholden, als we naar judo fietsten door een “mindere” buurt. Papoea! kregen we vaak naar ons hoofd geslingerd. Een nichtje heeft een keer alle neven en nichten geïnterviewd met als eerste vraag: voel je je Nederlands of Indisch. Ik voel me niet Nederlands, ik voel me Indisch, antwoordde ik toen. Zo voelt het nog steeds, maar de aantrekkingskracht van mijn Afrikaanse achtergrond is alleen maar sterker geworden. Helemaal nu ik meer weet over mijn Indo-Afrikaanse geschiedenis, daardoor neig ik zelfs meer naar het Afrikaanse. Dat vind ik een grappige ontwikkeling.

Afrikaans? Leg dat eens goed uit.

De moeder van mijn moeder komt van Malang en háár vader van Purworejo, Java. Mijn opa’s opa werd geboren in Ashanti, aan de WestAfrikaanse goudkust. Wat nu het huidige Ghana is in West Afrika. In 1800 wordt hij door het KNIL gerekruteerd om te vechten.

Mijn oma’s vader was een Afrikaanse man, ook Ashanti, beide voorouders waren tot slaaf gemaakten die zichzelf uiteindelijk vrij hebben gekocht. Haar moeder was trouwens een Indische vrouw met Nederlands bloed.

De Ashanti werden door het KNIL (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger) geronseld en kwamen terecht in Indonesië. Door de kolonisator, Nederland. Zo ontstonden relaties van Afrikanen met de inheemse vrouwen, maar ook Indische vrouwen.

Op welke plek voel je je het meeste thuis? En wat is thuis voor jou?

Nog steeds een complexe vraag. Oost zit in mij én West en dan heb ik natuurlijk ook de Nederlandse kant. In principe pas ik in al die hokjes. In mijn werk kan ik heel Nederlands gecodeerd zijn, met mijn netwerkproject ‘zwart onder oranje’ (https://www.facebook.com/zwartonderoranje/) ben ik juist heel Indisch én Afrikaans. Daardoor heb ik ontdekt dat er meerdere jongeren zijn met een verhaal, die zich ook zo voelen als ik; een Nederlandse jongen met Indo-Afrikaanse roots.

Als ik niet lekker in mijn vel zit, trek ik me terug, net als vroeger. Vorig jaar is mijn oma overleden en dan heb ik momenten voor mezelf nodig. Dat doe ik door Indisch te koken, Indische muziek te luisteren. Zoals op de Pasar Malam, de geur, het eten en de muziek, alles voelt als thuis. Ik ben natuurlijk wel Indisch opgevoed, vanuit Ashanti zijn er weinig dingen meegekomen. Het botst soms met de Indische groep, ik voel me zwart, zij voelen zich wit. Zoals mijn moeder, ze voelt zich heel Nederlands en kookt vaak stamppotten. Sinds ik samenwoon met Jade heb ik geen Hollandse pot meer gegeten. Mijn favorieten uit de Indonesische keuken zijn nasi goreng, tempeh goreng en sambal goreng kentang zoals mijn oma het maakte.

Wie heeft je meegenomen in de Indonesische cultuur en traditie?

Mijn opa. Ik heb veel vragen gesteld en zijn verhalen waren magisch voor mij. Nog steeds trouwens, hij is zevenennegentig jaar. Hij praat graag en veel. Elke twee weken ga ik met hem eten. Indische familie zien we elke maand, met hen ben ik opgegroeid. Ik wil heel graag naar Indonesië. Maar dat is ook spannend. Zal ik me daar thuis voelen? Ik ben huiverig voor die confrontatie. Drie jaar geleden was ik voor het eerst in Suriname, daar voelde ik me hélémaal thuis, maar of ik datzelfde gevoel zal hebben in Indonesië?

Spreek je Indonesisch?

Sediki (klein beetje) lacht. Binnenkort start ik samen met een nichtje een cursus. Mijn oma sprak Maleis met me, dat vond ik verwarrend, want we waren niet Maleis. Inmiddels weet ik dat het een algemene taal was, ingevoerd door de VOC, zodat men elkaar kon verstaan. Na de onafhankelijkheid is het Bahasa Indonesia  ingevoerd als officiële taal van Indonesië.

In wat ben jij typisch Nederlands?

Ik heb niet veel contact met mijn Nederlandse familie en ik heb niet echt iets Nederlands. De geschiedenis van mijn vader interesseert me op dit moment minder. Het is wel een voornemen om meer te weten te komen van mijn Nederlandse familie. Ik heb altijd wel goed contact gehad met mijn Nederlandse oma, ik ben en blijf een familiemens.

Hoe beantwoord jij de vraag “waar kom je vandaan?”

Ik ben me ervan bewust dat de vraag met een bepaalde reden gesteld wordt. Ik zeg altijd, ik kom uit Nederland en ben geboren in Amsterdam. Als ik aan een witte Nederlander vraag “Waar kom jij vandaan?” dan is de reactie niet zelden huh hoezo? Terwijl als je uit Zeeland komt, ik noem maar wat, dan is dat toch óók geschiedenis?

Ik nam deel aan een ontbijtdialoogtafel op Ketikoti en moest kiezen of ik wit of zwart was, vanwege de tafelsetting. Wat zou jij doen?

Als er een tafel zou zijn met alleen zwarte mensen dan ga ik daar bij zitten, want daar voel ik me thuis, dit zijn mijn mensen, denk ik dan. Voor mij is Indonesisch ook zwart. Ik praat altijd in de twee politieke kleuren, wit of zwart. Bruin of geel zie ik niet als kleur, in een discussie over huidskleur. Het gekke is: door de kolonisatie voelen veel Indische mensen zich wit. Ik vind dat heel moeilijk. Je hebt donker haar, donkere ogen en je hebt een getinte huid. Dan ben je in mijn ogen niet wit. De Indische groep is vernederlandst  maar lijkt vergeten te zijn waar ze vandaan komen. Dat vind ik heel lastig. Nog zoiets. Er is net een magazine uitgekomen met de naam ‘Pinda’. Ik zie dat als een woord om Indische Nederlanders te denigreren. Ik zou het nooit gebruiken en je moet me zéker geen “pinda” noemen. Veel Indische mensen zien het als een koosnaam, dat botst met hoe ik erover denk.

Heb je een dubbelbloed blooper?

Ik was op een festival met vrienden. Ik zei: hey, kijk daar heb je Kenny B. Maar het bleek ‘gewoon’ een Surinaamse jongen met rasta. Dat was een echte “tata” actie.

 

 

Altijd als eerste de nieuwste blogs lezen? Abonneer je op het Dubbelbloed blog. www.dubbelbloed.eu/abonneer/

Bestel hier een exemplaar van Dubbelbloed!