Couscous en speklapjes

Dubbelbloed “All over the world!”

Een serie gesprekken met dubbelbloeden, binnen en buiten de landsgrenzen

 

Couscous en speklapjes – door Etchica Voorn

Vandaag praat ik met Bouchaib. Hij werkt als supportmedewerker op een afdeling klantenservice, heeft een vriendin en geniet van het multiculturele stadsleven.  Bouchaib is Marokkaans-Nederlands-Surinaams, maar hij voélt zich Nederlander. Behalve als we het over eten hebben, dan heeft hij het vooral over couscous en zoutvlees. Hij vindt zijn eigen kleur supermooi, maar verder is hij “er niet mee bezig”. Ik ben dan ook razend nieuwsgierig hoe hij zich verhoudt tot zijn roots en hoe hij in het leven staat.
Zijn naam heb ik tot mijn  schaamte drie keer verkeerd uitgesproken en fout gespeld. Als eerste besluit ik om dit recht te zetten.

Hoe heet je precies en waar komt je naam vandaan?

Bouchaib Mokhtar  El-Kebir. Bouchaib (spreek uit: Boesjeib) betekent dorpsoudste en was een profeet. In de koran staat een verhaal over deze profeet: op een druk bezochte markt werden de mensen bestolen door de marktlui. Zij hadden hun gewichten niet goed afgesteld. De mensen kregen daardoor minder waar voor hun geld. De profeet kreeg een ingeving en sprak hen toe dat ze eerlijk handel moesten drijven, want anders zou God hen straffen. De marktlui luisterden niet en toen is die markt afgefikt. Maar ík ben heel vredelievend hoor. (Een smakelijke lach.)

De stemming zit er meteen goed in. Grinnikend vervolgt hij:

Ik ben vernoemd naar mijn opa, Mokhtar Bouchaib en mijn tante heet Mokhtara, Mokhtar is een echte familienaam. El-Kebir betekent  De Groot. Dat is afgeleid van het feit dat mijn voorouders grootgrondbezitters waren in Marokko en Algerije.

Waar stond je wieg?
Ik ben geboren in ziekenhuis BovenIJ in Amsterdam-Noord op 28 november 1988.

Hoe ben je opgegroeid?
Tja, ik zou zeggen, normaal. Mijn eerste levensjaar woonde ik op de Meeuwenlaan in Amsterdam-Noord, daarna ben ik tot mijn vijftiende jaar in Tuindorp opgegroeid. Uiteindelijk ben ik verhuisd naar Zaandam, waar ik mijn middelbare school heb afgemaakt. In mijn jeugd gingen we op vakantie naar Marokko én naar de camping in Twente. Wij waren het enige donkere gezin op die camping. Ik was populair; wij kwamen als enige uit Amsterdam, waren goed gebekt én we hadden een kleur. Ik had daar allemaal oudere vrienden die mij meenamen om te stappen. De leukste dingen heb ik daar meegemaakt.

Waar stond de wieg van je moeder
In Amsterdam-West in de buurt van het Westerpark. Haar moeder komt uit Den Helder, haar biologische vader is een Surinaamse man, maar die heeft zij nooit gekend, hij vertrok al vóór haar geboorte.

Mijn oma is hertrouwd met een Marokkaanse man, en dat is mijn opa. Mijn moeder draagt zijn naam, Safi, Arabisch voor “genoeg”. Opa en oma hebben helaas Alzheimer. Mijn opa heeft het al heel lang. Hij werkte in de scheepsbouw met giftige stoffen. Het vermoeden bestaat dat dit de oorzaak is van zijn ziekte. Mijn oma heeft sinds een paar jaar Alzheimer. Inmiddels wonen ze in hetzelfde verpleeghuis, maar wel op verschillende afdelingen.

Welke eigenschappen heb je van je moeder?
Mijn sociale gedrag heb ik echt van mijn moeder, mijn openheid naar anderen. Altijd in voor een dansje, lekker gek doen. We delen dezelfde humor, mijn moeder is een gangmaker en je kunt haar al van verre horen op een feestje. Als ze met mijn tante belt – die tegenover haar woont –  vraag ik: “Waarom hebben jullie telefoon, jullie kunnen elkaar zo ook wel horen.” Behalve het koken van Surinaams eten zit er niets Surinaams in bij mijn moeder, ze is opgevoed door haar Nederlandse moeder en Marokkaanse vader. Ik ben zelf ook niet nieuwsgierig naar het Surinaamse.

Waar stond de wieg van je vader?
Mijn vader is geboren in 1965 in Oran, een plaats in Algerije.  Zijn ouders kwamen uit Marokko, maar woonden een tijdje in Algerije. Gedwongen door omstandigheden keerden ze terug naar Marokko, voordat ze, toen mijn vader drie jaar was, naar Nederland vertrokken.

Vroeger ging ik met mijn opa (dus de niet biologische vader van mijn moeder) elk jaar naar Marokko, naar zijn familie. De vader van mijn vader was er op tegen dat mijn vader een relatie had met een Nederlandse vrouw. Daarom gingen we nooit naar mijn vaders familie. Zijn vader is al vroeg overleden. Zijn moeder, mijn oma, heb ik wel ontmoet, maar dat contact is verwaterd. Mijn vader heeft het er lastig mee gehad dat mijn moeder niet werd geaccepteerd. Dat was van invloed op de relatie van mijn ouders. Ze zijn zelfs even uit elkaar geweest. Maar ook weer hertrouwd.

Ben je meegenomen in de Marokkaanse, Surinaamse cultuur en traditie?

 Ik spreek geen woord Arabisch of Surinaams, hooguit wat woorden van de straat. Ik ben niet opgegroeid met die culturen en heb een klein beetje Marokkaans meegekregen. Mijn vader is verkaasd, omdat hij al op zijn derde jaar naar Nederland is gekomen. Zijn ouders kozen er heel bewust voor om in de Nederlandse gemeenschap te wonen, op de grens met een “Marokkaanse buurt”. Ik vind het dan wel apart dat ze niet konden accepteren dat mijn vader met een Nederlandse vrouw omging.
Waarschijnlijk heeft dat met de religie te maken. Mijn vader is gematigd moslim en gaat bijna nooit naar de moskee. Maar hij heeft ons (Bouchaib en twee broertjes red.) altijd vrijgelaten. Een blauwe maandag ging ik zondags naar de Arabische school voor Arabische les. Op zondag naar school was niet echt mijn ding (lacht). Om te zeggen dat ik atheïst ben gaat me te ver, maar eerlijk gezegd ben ik tegen religie. Omdat ik zie dat het veel pijn doet in de wereld, al zitten er ook goeie kanten aan. Als iemand liefde en rust vindt in het geloof dan vind ik dat heel mooi. Maar het brengt zóveel narigheid met zich mee.
Bouchaib zucht en pauzeert even voordat hij vervolgt: Geloof is een gevoel, het is niet te bewijzen. En dat gevoel, dat heb ik niet.

Wanneer werd je bewust van je kleur? En wat was de aanleiding?
Mijn vriendjes waren altijd wit, ik was me ervan bewust dat ik er anders uitzag. Ik heb dat nooit als negatief ervaren. Ik voelde me niet anders. Nog steeds voel ik me niet Marokkaans of Surinaams maar Nederlands. Mijn moeder heeft een lichtbruine kleur, terwijl haar zusters veel witter zijn. Daar kreeg ik vaak vragen over, waarom is jouw moeder donkerder dan je tantes? Soms krijg ik de vraag waar kom je echt vandaan. Ik heb er niet altijd zin in, maar meestal leg ik wel uit hoe het zit, mijn moeder is half Surinaams half Nederlands en mijn vader Marokkaans.  Pas op mijn vijftiende jaar vertelde mijn moeder dat haar biologische vader een Surinaamse man was. Voor mij veranderde er niets, want haar vader bleef mijn Marokkaanse opa, waar ik als kind elk jaar mee naar Marokko ging.

In hoeverre doet je kleur mee met jouw identiteit?
Mijn kleur staat voor mijn roots, mijn Marokkaanse vader en mijn Surinaams-Nederlandse moeder. Zij hebben mijn kleur gemengd en ik had geen andere kleur willen hebben. Opmerkingen over mijn kleur heb ik me nooit persoonlijk aangetrokken. Natuurlijk zie ik wat er gebeurt in de maatschappij. Liever begin ik er niet over, want ik vind het zó naar, ik ben er helemaal klaar mee… maar de zwartepietendiscussie. Er wordt alleen maar geschreeuwd naar elkaar en niet geluisterd, er valt niet meer over te praten en dat vind ik heel jammer.

Het is een verleden en we moeten er vanaf, al heel lang.  Het is niet iets waar we trots op kunnen zijn als Nederland. Dat het ieder jaar weer terugkomt, brengt pijn bij mensen. Zelf heb ik die pijn nooit ervaren, Zwarte Piet en Sinterklaas, vond ik heel leuk. Ik heb het ook weleens naar mijn hoofd geslingerd gekregen “hé zwarte piet”, maar ik trok me er niet zoveel van aan. Toch kan ik heel goed de andere kant zien; dat andere mensen er wel veel verdriet van kunnen hebben.

Ik vind het goed dat de NPO de leiding neemt en het beeld op tv gaat veranderen (roetveegpiet red.), maar eigenlijk vind ik het een compromis van lik-m’n-vestje. Maar ja, het is geven en nemen. Mijn vrienden zijn anti-Zwarte Piet, we kunnen er goed met elkaar over praten. Maar de nieuwe vriendin van mijn vader, een wat oudere dame, ziet het racistische punt van Zwarte Piet niet. Ik heb het haar geprobeerd uit te leggen maar zij neemt het gewoon niet in zich op.

Sinds mijn twaalfde jaar zijn we trouwens overgestapt op kerst en het Suikerfeest. Lekker dubbelop en veel leuker!

Hoe denk je dat de buitenwereld jou ziet?
Ik heb op de klantenservice bij Bol.com gewerkt in Portugal. Ik had een klant aan de telefoon die helemaal happy was, omdat ik alles voor hem had opgelost. Toen wilde hij mijn naam weten. Ik vertel het hem en vervolg automatisch: “Ik zal dat even voor u spellen.”
“Waar komt die naam vandaan?” vroeg hij.
“Dat is een Arabische naam,” antwoordde ik.
“Je spreekt wel goed Nederlands voor iemand met een Arabische naam.”
Waarop ik zei: ”Bedankt, ik bén ook net zo Nederlands als u bent.” Vaak maakten collega’s het grapje: zullen we er Bob van maken? Dat is een stuk handiger! Ik hou wel van die grapjes en ben erg nuchter in die dingen, je kunt het zo zwaar maken als je zelf wilt.

Heel lang was ik werkzaam bij een Amsterdams juwelenbedrijf, een familiebedrijf. Helaas gingen ze failliet. Vanwege mijn Arabische naam heb ik het heel lastig gehad met solliciteren, terwijl ik honderd procent geschikt was voor banen kreeg ik vaak niet eens antwoord en werd nooit uitgenodigd. Ik had echt het gevoel dat ik geen reactie kreeg vanwege mijn naam. Alle vereisten had ik: de ervaring, de opleiding, competenties en een goeie brief mét referenties. Dat vond ik wél moeilijk en heel vervelend. Het heeft een jaar geduurd, voordat ik ergens werd aangenomen! Dat heeft me meer pijn gedaan dan dat ik zwarte piet genoemd werd.

Mijn vader steunde me in die periode volledig. Hij zei: “Als ze je alleen willen aannemen als je Bob de Groot heet, laat dan maar zitten.” Hij hield me voor om de eer aan mezelf te houden en trouw te blijven aan mijn eigen naam.

Op welke plek voel je je het meeste thuis? En wat is thuis voor jou?
Waar ik me veilig voel. Waar je liefde ontvangt. Zoals in Portugal toen ik bij Bol werkte, daar voelde ik me prima thuis, omdat ik veel leuke mensen om me heen had. Maar het thuisfront miste me en ik vond het ook weer fijn om terug naar Nederland te gaan. Maar ik ben niet aan één plek gebonden.

In wat ben jij typisch Surinaams? Marokkaans? Nederlands?

Je zorgt eerst voor anderen dan pas voor jezelf, die boodschap heb ik meegekregen van mijn vader. Er werd altijd veel meer gekookt, zodat iedereen mee kon eten. Het is heel Nederlands om dat niet te doen. Ik maakte wel mee dat ik bij een vriendje was en werd weggestuurd om vijf uur met de tekst: we hebben maar zes aardappels en drie stukjes vlees. Bij ons zou de gast juist dat stukje vlees krijgen, of, we gaan nog even boodschappen doen. In dat opzicht ben ik Marokkaans.

Verder werd ik nooit actief betrokken in de Marokkaanse cultuur. In de Surinaamse nog minder, behalve met eten. Ik ben gek op couscous én ik eet graag zoutvlees, maar mijn lievelingsgerecht is nog altijd andijviestamppot, mét een speklapje. Een grapje thuis was altijd couscous met appelmoes, daar hou ik ook van. Zelf maak ik graag Marokkaanse gehaktballetjes én Surinaamse bami. Dat is wat ik bedoel, met dat het eten met elkaar versmelt. Mijn directe familie is niet groot maar wel eén grote versmolten familie en ik blend overal goed in. Ik denk dat na alle versmelting de nieuwe generatie is ontstaan. De Nieuwe Nederlander, dat ben ik. Voor mij is dat heel gewoon. Mijn vriendengroep is wit, Turks en een paar Surinaamse vrienden, overwegend de bevolking in Zaandam.

Als ik er nu over nadenk voel ik me het meeste aangetrokken tot wit. Ik denk omdat ik daar volledig geaccepteerd word en ik kom meer met de witte kant in aanraking. Maar, ik voel me heel vrij. In mij is alles één cultuur. Laatst zei een vriend van me over mij: “Hij is zo verkaasd als het maar kan.” Ik zie dat niet zo, voor mij valt het samen.

Ik nam deel aan een ontbijtdialoogtafel op Ketikoti en moest kiezen of ik wit of zwart was, in verband met de tafelsetting. Wat zou jij doen?

Ik zou wel zwart kiezen. Omdat dat de eerste indruk is die ik afgeef. (weifelend) Ja, ik geloof dat ik mezelf  wel zwart vind… alhoewel ik vind zwart een naar woord. Ik zeg liever gekleurd.

Heb je een dubbelbloed blooper?

Geen blooper, ik zou het echt niet weten. Wel heb ik al heel lang een droom. Om met mijn vader door de Sahara te trekken.

 

 

Altijd als eerste de nieuwste blogs lezen? Abonneer je op het Dubbelbloed blog. www.dubbelbloed.eu/abonneer/

Bestel hier een exemplaar van Dubbelbloed!

Een echte Daniël

Photocredits Armando Ello

 

Dubbelbloed “All over the world!”

Een serie gesprekken met dubbelbloeden, binnen en buiten de landsgrenzen

 

Een echte Daniël – door Etchica Voorn

Wouter Neuhaus (1985) heeft een Indische (met Afrikaanse invloeden) moeder en een witte Nederlandse vader. Hij is finance consultant bij het bedrijf Goedemensen en woont in Hoorn met zijn Surinaamse vrouw Jade en hun driejarige beauty queen Deja.

Wouter is gepassioneerd over de geschiedenis van Nederlands-Indië. Zijn opa, oud KNIL-militair (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger) met Indo-Afrikaanse roots, is hoofdpersoon in de documentaire De vergeten krijgers (uitgezonden op 14 augustus 2019). Van jongs af aan slurpte Wouter de verhalen op die zijn opa hem vertelde. Als volwassene werd de impact van de geschiedenis van zijn voorouders nog groter. Hij beloofde zijn opa zich in te zetten om de Indo-Afrikaanse verhalen wereldkundig te maken. Wouter zegt hierover: “Ik zie het als mijn taak en als een eerbetoon aan mijn opa en voorouders.”

Hij stapt mijn appartement in de Sarphatistraat binnen in een onberispelijke outfit. Modern, strak pak, daaronder glimmende zwarte puntschoenen. Met open blik en een lach op zijn gezicht kijkt hij me aan.

Waar stond je wieg?

Ik ben geboren op 31 augustus 1985 in het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis in Amsterdam als jongste van een tweeling. Ik heb een tweelingbroer.

Waar stond de wieg van je moeder?

Jakarta. Toen ze drie maanden was, is ze met haar ouders naar Nederland gekomen.

Welke eigenschap heb je van haar? Waarin lijk je op je moeder?

Moeilijke vraag… Als zij vroeger op het schoolplein kwam in haar mooie manteljas, viel dat op. Ze werkte bij de bank, een business woman. Daarin lijk ik op haar. Verzorgd. Mijn moeder is rustig en intelligent. Ze kan goed dingen overzien en relativeren. Maar ik heb nooit echt over de geschiedenis kunnen praten met mijn moeder, weinig gesproken over ons verleden en onze afkomst. Hoe Indo-Afrikaans ik me ook voel, met haar kan ik dat niet altijd delen. Mijn moeder voelt zich heel Nederlands. Zij is opgevoed door mijn oma in de koloniale tijd, die zich ook heel Hollands voelde. Nederlandse gewoonten werden overgenomen en de Indonesische mores werd afgeleerd.

Mijn moeder heeft bijvoorbeeld niet de drang om terug te gaan naar Indonesië, ik heb die drang wel, maar ik ben er nog nooit geweest. Het komt erop neer dat ik uiterlijk meer op mijn moeder lijk dan innerlijk. Ik trok altijd meer naar mijn opa en oma. Je bent een echte Daniël zei mijn oma altijd, zo heet mijn opa.

Waarin lijk je op je vader?

De felheid heb ik van mijn vader. Ik wil graag mijn gelijk halen, meestal héb ik ook gelijk (schaterlach) Ik kan flink de discussie aangaan. Wij konden vroeger zo boos worden op elkaar, dat het soms bijna knokken werd. Dan belde ik mijn opa en vroeg of ik bij hen mocht komen wonen. Mijn opa luisterde rustig en zei: “Dat mag, maar je moet het éérst uitpraten met je ouders.” Slim van hem, want als je praat, ga je niet weg natuurlijk.Welke invloed heeft je naam op jouw identiteit?

Als kind wilde ik nooit Wouter heten dus noemde ik me Daniël. Daniël Cordus, naar mijn opa. Zelfs op school noemde ik me zo. Mijn meester zei weleens: dat gaat je vader niet leuk vinden. Maar ik identificeerde me met mijn opa. Ik voelde me géén Wouter. Dat is veranderd. Mijn naam is mij gegeven door mijn ouders en daar ben ik oprecht trots op.

In mijn werk zorgt mijn naam voor verwarring. Het eerste contact is altijd telefonisch. Als klanten mij voor het eerst zien hoor ik vaak: “Oh, ik dacht dat je een oer-Hollandse jongen was!” Dan zeg ik: “Dat ben ik ook, ik ben gewoon hier geboren.”

En je achternaam, Neuhaus?

Dat heb ik nog niet uitgezocht. Waarschijnlijk richting Duitsland, Zwitserland of Oostenrijk. En in Antwerpen heb je de Neuhaus bonbons. Daarom ben ik gek op chocola (grinnikt).

Waar stond de wieg van vader Neuhaus?

Geboren in Utrecht, maar als kind vertrokken naar Amsterdam en opgegroeid op de Zeedijk. Ter hoogte van het bekende Thaise restaurant Birds. Een heftige tijd. In die buurt heeft hij leren knokken, het was moeilijk voor mijn vader én hij moest altijd opkomen voor zijn oudere broer. Mijn vader vertelt niet veel over zijn jeugd, maar ik moet eerlijk bekennen dat ik er ook niet naar vraag.

Hoe ben je opgegroeid?

Ik heb een jeugd gehad waarin alles aanwezig was. Echt álles. Omdat mijn vader het zwaar gehad heeft vroeger, wilde hij het allerbeste voor ons. Tenminste, dat denk ik. Wij kregen alles wat we wilden. Onze verjaardagen waren extreem. We gingen bijvoorbeeld naar een pretpark en kregen ook nog een Gameboy. Daar zorgde hij voor. We kwamen niets tekort en werden schaamteloos verwend. Aan de andere kant werd ons vroeg geleerd dat je moest werken voor je geld. Onze vader heeft een sportschool voor karate en jiu jitsu. Op maandagmiddag moesten wij de matten neerleggen voor de lessen. Daar kregen we één gulden voor! Hij heeft een carrière kunnen maken door op latere leeftijd een opleiding te volgen en hard te werken. Ik vind het wel heel knap hoe mijn vader dat gedaan heeft.

Sport was enorm belangrijk in mijn jeugd, ik ben gestart met judo en jiu jitsu. Vanaf mijn twaalfde jaar deed ik aan karate, echt mijn spelletje. Op mijn achttiende heb ik het serieus aangepakt en kwam ik terecht in Leeuwarden voor trainingen. Acht jaar lang maakte ik deel uit van de nationale ploeg en in 2011 werd ik Nederlands kampioen. Een  hectisch leven. Ik werd genomineerd om mee te doen aan de Europese kampioenschappen, maar door gedoe in de bond ging het uiteindelijk niet door. Dat was een klap in mijn gezicht. Vanaf toen heb ik mijn leven drastisch veranderd en ben ik me gaan focussen op mijn privé en carrière. Trainen doe ik nog steeds, dat hoort bij mij. En training geven aan kinderen dat vind ik heel erg leuk.

Wanneer werd je bewust van je kleur? En wat was de aanleiding?

Ik voelde me altijd heel Indisch, vanaf dat ik naar de basisschool ging. Toen al wilde ik de naam van mijn opa dragen. In het overwegend witte Hoorn was het racisme heel subtiel. Mijn broer en ik werden vaak uitgescholden, als we naar judo fietsten door een “mindere” buurt. Papoea! kregen we vaak naar ons hoofd geslingerd. Een nichtje heeft een keer alle neven en nichten geïnterviewd met als eerste vraag: voel je je Nederlands of Indisch. Ik voel me niet Nederlands, ik voel me Indisch, antwoordde ik toen. Zo voelt het nog steeds, maar de aantrekkingskracht van mijn Afrikaanse achtergrond is alleen maar sterker geworden. Helemaal nu ik meer weet over mijn Indo-Afrikaanse geschiedenis, daardoor neig ik zelfs meer naar het Afrikaanse. Dat vind ik een grappige ontwikkeling.

Afrikaans? Leg dat eens goed uit.

De moeder van mijn moeder komt van Malang en háár vader van Purworejo, Java. Mijn opa’s opa werd geboren in Ashanti, aan de WestAfrikaanse goudkust. Wat nu het huidige Ghana is in West Afrika. In 1800 wordt hij door het KNIL gerekruteerd om te vechten.

Mijn oma’s vader was een Afrikaanse man, ook Ashanti, beide voorouders waren tot slaaf gemaakten die zichzelf uiteindelijk vrij hebben gekocht. Haar moeder was trouwens een Indische vrouw met Nederlands bloed.

De Ashanti werden door het KNIL (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger) geronseld en kwamen terecht in Indonesië. Door de kolonisator, Nederland. Zo ontstonden relaties van Afrikanen met de inheemse vrouwen, maar ook Indische vrouwen.

Op welke plek voel je je het meeste thuis? En wat is thuis voor jou?

Nog steeds een complexe vraag. Oost zit in mij én West en dan heb ik natuurlijk ook de Nederlandse kant. In principe pas ik in al die hokjes. In mijn werk kan ik heel Nederlands gecodeerd zijn, met mijn netwerkproject ‘zwart onder oranje’ (https://www.facebook.com/zwartonderoranje/) ben ik juist heel Indisch én Afrikaans. Daardoor heb ik ontdekt dat er meerdere jongeren zijn met een verhaal, die zich ook zo voelen als ik; een Nederlandse jongen met Indo-Afrikaanse roots.

Als ik niet lekker in mijn vel zit, trek ik me terug, net als vroeger. Vorig jaar is mijn oma overleden en dan heb ik momenten voor mezelf nodig. Dat doe ik door Indisch te koken, Indische muziek te luisteren. Zoals op de Pasar Malam, de geur, het eten en de muziek, alles voelt als thuis. Ik ben natuurlijk wel Indisch opgevoed, vanuit Ashanti zijn er weinig dingen meegekomen. Het botst soms met de Indische groep, ik voel me zwart, zij voelen zich wit. Zoals mijn moeder, ze voelt zich heel Nederlands en kookt vaak stamppotten. Sinds ik samenwoon met Jade heb ik geen Hollandse pot meer gegeten. Mijn favorieten uit de Indonesische keuken zijn nasi goreng, tempeh goreng en sambal goreng kentang zoals mijn oma het maakte.

Wie heeft je meegenomen in de Indonesische cultuur en traditie?

Mijn opa. Ik heb veel vragen gesteld en zijn verhalen waren magisch voor mij. Nog steeds trouwens, hij is zevenennegentig jaar. Hij praat graag en veel. Elke twee weken ga ik met hem eten. Indische familie zien we elke maand, met hen ben ik opgegroeid. Ik wil heel graag naar Indonesië. Maar dat is ook spannend. Zal ik me daar thuis voelen? Ik ben huiverig voor die confrontatie. Drie jaar geleden was ik voor het eerst in Suriname, daar voelde ik me hélémaal thuis, maar of ik datzelfde gevoel zal hebben in Indonesië?

Spreek je Indonesisch?

Sediki (klein beetje) lacht. Binnenkort start ik samen met een nichtje een cursus. Mijn oma sprak Maleis met me, dat vond ik verwarrend, want we waren niet Maleis. Inmiddels weet ik dat het een algemene taal was, ingevoerd door de VOC, zodat men elkaar kon verstaan. Na de onafhankelijkheid is het Bahasa Indonesia  ingevoerd als officiële taal van Indonesië.

In wat ben jij typisch Nederlands?

Ik heb niet veel contact met mijn Nederlandse familie en ik heb niet echt iets Nederlands. De geschiedenis van mijn vader interesseert me op dit moment minder. Het is wel een voornemen om meer te weten te komen van mijn Nederlandse familie. Ik heb altijd wel goed contact gehad met mijn Nederlandse oma, ik ben en blijf een familiemens.

Hoe beantwoord jij de vraag “waar kom je vandaan?”

Ik ben me ervan bewust dat de vraag met een bepaalde reden gesteld wordt. Ik zeg altijd, ik kom uit Nederland en ben geboren in Amsterdam. Als ik aan een witte Nederlander vraag “Waar kom jij vandaan?” dan is de reactie niet zelden huh hoezo? Terwijl als je uit Zeeland komt, ik noem maar wat, dan is dat toch óók geschiedenis?

Ik nam deel aan een ontbijtdialoogtafel op Ketikoti en moest kiezen of ik wit of zwart was, vanwege de tafelsetting. Wat zou jij doen?

Als er een tafel zou zijn met alleen zwarte mensen dan ga ik daar bij zitten, want daar voel ik me thuis, dit zijn mijn mensen, denk ik dan. Voor mij is Indonesisch ook zwart. Ik praat altijd in de twee politieke kleuren, wit of zwart. Bruin of geel zie ik niet als kleur, in een discussie over huidskleur. Het gekke is: door de kolonisatie voelen veel Indische mensen zich wit. Ik vind dat heel moeilijk. Je hebt donker haar, donkere ogen en je hebt een getinte huid. Dan ben je in mijn ogen niet wit. De Indische groep is vernederlandst  maar lijkt vergeten te zijn waar ze vandaan komen. Dat vind ik heel lastig. Nog zoiets. Er is net een magazine uitgekomen met de naam ‘Pinda’. Ik zie dat als een woord om Indische Nederlanders te denigreren. Ik zou het nooit gebruiken en je moet me zéker geen “pinda” noemen. Veel Indische mensen zien het als een koosnaam, dat botst met hoe ik erover denk.

Heb je een dubbelbloed blooper?

Ik was op een festival met vrienden. Ik zei: hey, kijk daar heb je Kenny B. Maar het bleek ‘gewoon’ een Surinaamse jongen met rasta. Dat was een echte “tata” actie.

 

 

Altijd als eerste de nieuwste blogs lezen? Abonneer je op het Dubbelbloed blog. www.dubbelbloed.eu/abonneer/

Bestel hier een exemplaar van Dubbelbloed!

 

 

Codeswitch

Dubbelbloed “All over the world!”

Een serie gesprekken met dubbelbloeden, binnen en buiten de landsgrenzen

Niet alles kan worden verteld noch gevraagd. Het zijn de ‘leegtes’ die een ander soort verstaan vereisen. Dat van liefde en respect. Antwoorden noch inzichten laten zich afdwingen.

 Codeswitch –  door Etchica Voorn

In gesprek met Michael Hiwat (1964) Michael heeft een Surinaamse vader en een Nederlandse moeder. Hij is fanatiek koorlid van het Surinaamse Maranatha Mannenkoor. In het dagelijks leven werkt hij als Oceans and Wildlife Officer bij WWF Guianas.

Michael is een Surinamer op vakantie in Nederland. Of, is hij een Nederlander die in Suriname woont? We ontmoeten elkaar in een touringcar onderweg naar Zweden. Het Surinaamse mannenkoor Maranatha is aangekomen in Amsterdam. Vanuit de hoofdstad zet het koor de reis voort met een dubbeldekker bus om deel te nemen aan het International Choir Festival in Gotenburg. Ik heb het geluk mee te mogen reizen met dit bonte gezelschap.

Michael is een dubbelbloed. In de Surinaamse volksmond wordt hij ‘redi nengre’ genoemd, wat rode neger betekent. Tenenkrommend voor mij, voor Michael blijkt het n-woord heel gewoon. Net als negerzoenen, ooit maakte hij handig gebruik van deze traktatie om meisjes een kus te kunnen geven. Hij draagt een volle grijze baard gelardeerd met zwarte draden die herinneren aan zijn originele haarkleur. Zijn haar is gevlochten in coole cornrows. In zijn ronde gezicht met bolle wangen liggen twee vriendelijk kijkende ogen. Opvallend detail aan zijn kleding; hij draagt een Hawaii blouse en zwarte klompen. “Die draag ik altijd,” vertelt hij later, “ze zitten gewoon lekker.”
Zijn spreekwater kent geen stroomversnellingen, soms vallen er lange stiltes. Maar dat belemmert ons openhartige gesprek niet. Achter zijn rustige persoonlijkheid schuilt een scherpe criticus. Er ontspint zich een verrassend interview waarin veel gelachen wordt.

Waar stond je wieg?
Ik ben geboren op 19 december 1964 in Rotterdam in het Dijkzigt ziekenhuis en opgegroeid in de Alexanderpolder. Het waren de beginjaren van een nieuwbouwwijk die uit de grond gestampt werd. Wij waren een van de eerste bewoners.

Hoe ben je opgegroeid?
Tot mijn zesde jaar woonde ik in deze wijk in Rotterdam. Ik herinner me nog de uitgestrektheid, veel huizen moesten nog gebouwd worden. Je kon er goed buiten spelen maar het waaide er áltijd.

Waar stond de wieg van je moeder
Ook in Rotterdam.

Welke eigenschap heb je echt van haar?
Poe, moeilijke vraag. Zij wil graag mensen om zich heen hebben en dat het hen aan niets ontbreekt. Haar huis staat altijd open voor iedereen, daarin herken ik mezelf.

Waar stond de wieg van je vader?
Mijn vader is geboren in Paramaribo, Suriname.

Welke eigenschap heb je echt van hem?
Prompt: Het dominante heb ik van mijn vader. Ik bepaal graag hoe de dingen gaan. Eerlijk gezegd probeer ik dit soms ook op te leggen aan anderen. Hij lacht een guitige lach. Mijn kinderen zullen dit vast beamen.

Opgroeien
Mijn ouders hebben elkaar ontmoet in 1962 in Nederland. Mijn moeder werkte bij een boekhandel, waar mijn vader vaak kwam in verband met zijn studie Engels. Mijn moeder hielp hem met zijn boekenlijst. Zo hebben ze elkaar leren kennen en zijn verliefd geworden. Ze trouwden en maakten een sliert kinderen. Ik groeide op met vijf broers en één zus. De kleuterklassen heb ik nog in Nederland gedaan, in 1971 emigreerden we naar Suriname.

Als de dag van gisteren herinner ik me de aankomst op Zanderij, hoe we werden opgehaald door m’n opa met een VW-busje. Het huis van mijn opa en oma en daarna de verhuizing naar ons “eigen” huis. In Nederland kwam er altijd veel Surinaamse familie over de vloer. Mijn opa en oma hebben ook een tijd bij ons in Nederland gewoond, dus in Suriname – toen ik iedereen weer terugzag – voelde alles direct heel vertrouwd aan.

Wanneer werd je bewust van je kleur? En wat was de aanleiding?
Dat zal ik nooit vergeten! In de kleuterklas werd ik uitgescholden voor Zwarte Piet. Eerst begreep ik het niet. ZP was zwart en ik bruin dus dat klopt toch helemaal niet? Toen het tot me doordrong waarom ze mij zo noemden, voelde ik me gekwetst. Het was een shock voor me en het is me altijd bijgebleven.

Een andere schok ervaarde ik tijdens mijn stage in Kenya. Ik werd daar gezien als een witte man. Na schooltijd liepen er altijd kinderen achter me aan, roepend: Mzungu. Dat was confronterend. Pas als ik ze een foto liet zien van mijn vader, geloofden ze dat hij donker was. Jammer genoeg heb ik niet een deel van Afrika kunnen bezoeken waar dubbelbloeden een onderdeel van het ‘normale’ straatbeeld zijn. Dan had ik kunnen ervaren of ik daar wel als een van hen zou worden geaccepteerd.

Deze ervaringen hebben mijn keuze versterkt om na mijn studie in Nederland, terug te keren naar Suriname. In Nederland word ik bestempeld als zwart, in Kenya als wit. In Suriname kan ik zijn wie ik ben!
In zowel Nederland als Suriname werd ik weleens halfbloed genoemd. Dat vond ik nooit prettig. Laat ik het zo zeggen: daar gingen míjn tenen van opkrullen. Ik ben héél. Ik ben niet half. Het wordt ook als minderwaardig beschouwd, het is maar een halfbloedje.

Het leuke is, ik merk dat het woord dubbelbloed wordt overgenomen. Ik was pas bij vrienden in Roermond en daar hadden we er een discussie over. Iedereen was het erover eens dat halfbloed niet meer van deze tijd is. Dubbelbloed is in feite nog een stapje hoger en ik maak daar nu grif gebruik van.

Hoe doe je dat dan?
Ik kan met gemak van de ene naar de andere cultuur switchen. Het codeswitchen, daar heb ik gewoon een voordeel aan.

Wanneer gebeurt dit?
Ik zal het in Nederland niet in mijn hoofd halen om een bakkerij binnen te stappen en te zeggen: “Geef me een halfje grof volkoren.” Terwijl de gebiedende wijs in Suriname heel gewoon is, daar bestel je wel zo je brood of wat dan ook. Zo zou ik legio voorbeelden kunnen geven. Bijvoorbeeld de uitdrukking aankakken. Dat zeg ik alleen tegen Nederlanders. Tegen een Surinamer zou ik nooit zeggen “kom je nu pas aankakken”. Ik zou direct zeggen, now fosi yu e doro. Nederlands komt er niet eens aan te pas.

Ik kan moeiteloos andere uitdrukkingen gebruiken en me aanpassen aan andere gewoonten. Codeswitch is bijvoorbeeld ook dat ik zeg ja joh, dat is typisch Nederlands. In SU zeg ik ay boy!

In hoeverre doet je kleur mee met jouw identiteit?
Als mijn Nederlandse neefjes mij voorstelden aan vrienden dan was de reactie steevast: hou op, dat kan niet joh! (doet typisch Nederlands accent na) Als ik mijn Hollandse neefjes in Suriname zou voorstellen, zou niemand ervan opkijken. Surinamers zijn gewend aan verschillende vermengingen.

Je zou dus kunnen zeggen dat Surinamers meer ingesteld zijn op gemêleerde mensen terwijl de vooroordelen in Suriname over de verschillende bevolkingsgroepen pittig zijn.

Michael knikt instemmend.

Ja, daar heb je gelijk in.

Als ik in Suriname ben, blijf ik “die bakra”.

Op besliste toon:
Dat komt door je spraak (aarzelt) en door je houding. Dat bepaalt hoe je overkomt. Ik maak me daar zelf ook schuldig aan hoor, dat moet ik je eerlijk bekennen. Dan kom ik mensen zoals jij tegen en dan zeg ik, kijk daar heb je weer wat bounty’s. Maar als je dáár zou wonen, en je gaat anders praten en je anders kleden enzovoorts… Kijk, ik heb het voordeel dat ik die switch kan maken. Als ik zou willen kan ik plat Rotterdams praten. Maar ik kijk wel uit om dat in Suriname te doen, dan word ik ook direct in de categorie van bounty gestopt.

Kun je te ver gaan in het aanpassen, wie ben jíj?

Ik ben Michael en geen kuddedier. Met bepaalde dingen zal ik me conformeren maar ik bén absoluut géén conformist. Daarom loop ik ook op klompen, ik ben een van de weinige Surinamers die op klompen loopt.

Is dat niet een typisch Nederlands ding?

We barsten in lachen uit. Michael vervolgt: Hetzelfde geldt voor het maken van afspraken. Als je in Nederland een afspraak hebt om negen uur dan kom je niet om half tien. Mijn zoon was een keer drie minuten later bij de gemeente. Hij moest een nieuwe afspraak maken, hij zei “maar je hebt toch iemand anders geholpen in de tijd dat ik er niet was. Dan kan je mij nu toch helpen?”
In Suriname zegt een laatkomer: ik ben een beetje laat… onderweg was er even iets misgegaan… Maar je wordt gewoon geholpen.

Op welke plek voel je je het meeste thuis? En wat is thuis voor jou?
Suriname is mijn thuis maar ik voel me prima in Nederland.

In wat ben jij typisch Surinaams?
Ik ga gewoon langs bij mensen en dan zie ik wel of ze thuis zijn. Ik hou er niet van om een afspraak te moeten maken om vrienden of familie te zien.

In wat ben jij typisch Nederlands?
Ons bin zuunig, dat is echt het Nederlandse, Zeeuwse bloed dat door mijn aderen stroomt. Je kunt rustig zeggen dat ik op de penning ben. Ik ga bijvoorbeeld niet met de bus of met de auto als ik kan lopen.

Ik nam deel aan een ontbijtdialoogtafel op 1 juli Keti Koti en moest kiezen of ik wit of zwart was, in verband met de tafelsetting. Wat zou jij doen?
Dat hangt af van de organisatie en waarom ze de splitsing maken tussen wit of zwart. Ik zou waarschijnlijk kiezen voor zwart, maar als ik tegen schenen zou willen schoppen dan kies ik wit .

Heb je een dubbelbloed blooper?
Ik zou het echt niet weten.

Ook na lang aandringen, kan Michael zich geen blooper voor de geest halen. Het codeswitchen is zijn tweede natuur geworden. Net voordat ik het gesprek wil afronden, wil Michael heel graag nog iets zeggen over de zwartepieten discussie.

Het sinterklaasfeest is in Suriname afgeschaft na de onafhankelijkheid in 1975. We hebben Kinderdag als alternatief, kinderen krijgen allemaal een cadeautje. Soms speelt de commercie nog in op Sinterklaas. Gefocust op de mensen die uit Nederland komen. Maar daar komt geen zp in voor.

Hoe kijk jij tegen die discussie aan?
Die figuur is niet nodig voor dat kinderfeest. Het is er later bijgevoegd in de 19e eeuw. Net zo gemakkelijk kun je het weer weghalen. Een hele groep mensen blijft eraan vasthouden omdat er iets van ze wordt ontnomen. Misschien zijn het wel dezelfde mensen die mij vroeger als kind nariepen…en dan toch volhouden “maar ik ben niet racistisch”. Zwarte Piet houdt een koloniaal beeld in stand. Het is passé.

Maar als je dit zegt, wil ik toch nog even terugkomen op het n-woord. Hoe kan het dat je het n-woord accepteert als je weet wat de oorsprong van het woord is?
Omdat het voor mij geen beladen term is. Ik zie het niet als een scheldwoord net als ingi (Sranantongo voor indiaan). Het zit in onze taal. ‘Nengre’ zit in veel woorden verwerkt in het Sranantongo.

Zou je kunnen zeggen dat het Sranantongo als taal kan emanciperen op dit punt?
Ja, ik denk dat je daar een punt hebt. (Michael trekt een peinzend gezicht)Toch denk ik niet dat nengre gaat veranderen. Zoals het negro in Brazilië. Of nègre in Frans Gyana. De houding en de manier waarop het gebruikt wordt, is natuurlijk wel van belang. En sommige stereotypen kunnen natuurlijk niet meer zoals vroeger in de boekjes van Sjors en Sjimmie.

Dan héél fél:

Zoals in Amerika, tot op de dag vandaag worden zwarte mensen onderdrukt. Wat Trump laatst beweerde over notabene democratisch gekozen senatoren is absurd! Ga maar terug naar je land. Vooral voor die ene senator (Kamala Harris red.) ze is half Indiaas en half Jamaicaans, naar welk land moet ze terug? Ze is een dubbelbloed!

 

 Michael Hiwat

 

Altijd als eerste de nieuwste blogs lezen? Abonneer je op het dubbelbloed blog. www.dubbelbloed.eu/abonneer/

Bestel hier een exemplaar van Dubbelbloed!

Borrelen

Dubbelbloed “All over the world!”

Een serie gesprekken met dubbelbloeden, binnen en buiten de landsgrenzen

 

Niet alles kan worden verteld noch gevraagd. Het zijn de ‘leegtes’ die een ander soort verstaan vereisen. Dat van liefde en respect. Antwoorden noch inzichten laten zich afdwingen. De ruimte van het mens-zijn.

 

Borrelen –  Door Etchica Voorn

In gesprek met Emma Lesuis (1988) dochter van een Surinaamse moeder en Nederlandse vader. Emma is storyteller, theater-, film-, documentairemaker én schrijfster.

Puffend van de hitte en glanzend van het zweet komt Emma binnen. Buiten is het veertig graden. Fietsen van Amsterdam-Zuid naar stadsdeel Oost was pittig bij deze tropische temperaturen.

“Mag ik alsjeblieft gebruik maken van je badkamer?” vraagt ze met smekende stem.
Even later komt ze opgelucht en fris geurend uit de badkamer, de achterkant van haar lange jurk laat ze open.
Emma heeft gitzwarte lange krullen aan de bovenkant en kort in haar nek. Haar gezicht heeft zachte lieve trekken, donkere pretogen met een open blik en een mond vol perfect witte tanden. Ze is slank en ik steek een kop boven haar uit ondanks het feit dat ze hakken draagt.

Haar nieuwste voorstelling “Aardappelbloed” zag ik tijdens Oerol (juni 2019). Hierin vlecht ze vernuftig haar Surinaamse en Nederlandse achtergrond door elkaar, gekoppeld aan het koloniale verleden. Haar manier van vertellen, de beelden en begeleiding van de contrabas (door Nana Adjoa) ontroerden me diep. Soms leek het of haar ervaringen exact de mijne waren, in elk geval kwamen ze dicht bij elkaar.

Ze overhandigt me een kaartje met een getekende koto misi en de tekst “zwart of wit of gewoon jezelf?” Ook haalt ze twee verpakte minipuntjes spekkoek tevoorschijn. Ik zet een grote kan ijswater met munt op tafel. Met de bamboewaaier waaien we ons om beurten een briesje toe. Binnen is het  dertig graden ondanks de geblindeerde en gesloten ramen, maar we beginnen.

Waar stond je wieg?

Thuis in Leiden, wij woonden in de arbeiderswijk De Kooi.

Hoe ben je opgegroeid?

Vanuit Leiden verhuisden we naar Leiderdorp, écht dorps. Wij woonden ruim en aan het water. Een fijne tijd, ik zwom veel en was altijd buiten.  Ik heb me er prima vermaakt (een glimlach glijdt over haar gezicht) De lagere school was een zorgeloze en gelukkige tijd. Ik speelde met veel verschillende kinderen. Maar op het gymnasium in Leiden kwam er een omslag. Opeens kwam ik in een heel andere cultuur terecht met kakkermeisjes uit Voorschoten en Oegstgeest.

 

Kakkermeisjes? Wat zijn dat?

De meeste meisjes zaten op hockey, een totaal onbekende wereld voor mij.  Ik  wilde voetballen. De kinderen uit mijn klas kwamen uit rijke gezinnen. Hun vaders droegen rode en groene broeken, roze en gele poloshirts én waren arts. Mijn vader was dan wel huisarts, maar dat stond toch lager op de ladder dan een specialist. Echt een klassecultuur. Er is veel oud geld in Oegstgeest. Dat komt in mijn familie niet voor (grinnikt). De geldende etiquette en gewoonten waren nieuw voor me. Iedereen ging bijvoorbeeld op wintersport en at kaasfondue. En borrelen, dat was voor mij ook een nieuw fenomeen. Daar sloot ik overigens moeiteloos bij aan.

Waar hoorde jij bij?

Er waren duidelijke subculturen. Je had “de kakkers”, zij droegen merkshirts met soms wel drie kraagjes over elkaar. En je had de zogenaamde alto’s. Zelf sliertte ik daar tussendoor. Toen al deed ik aan schooltheater, ging echt mijn eigen weg. Na school kwam de verwijdering. Bijna al mijn klasgenoten gingen eerst op reis om bij terugkomst geneeskunde te gaan studeren. Daarna sloten ze zich aan bij het corps of andere studentenvereniging. Verschrikkelijk vond ik dat.

Ik sloot me aan bij Up With People, een internationale Amerikaanse organisatie. Heel toevallig kwam het voorbij op televisie en direct wist ik: dit is iets voor mij. In een gezelschap van zesentwintig nationaliteiten, maakten we in zes maanden een musical. Daarna reisden we de wereld rond om op te treden in onze zelfgemaakte musicalshow. Elke week verbleef ik in een ander gastgezin. Een te gekke tijd.

Waar stond de wieg van je moeder?

Noordwijk. Ze is de jongste in een gezin met vier kinderen. Mijn grootouders kwamen met de boot aan in Den Helder in 1952. Mijn opa werkte destijds bij de marine als telegrafist. Hij voer mee met een onderzeeboot op geheime missies naar Nederlands-Nieuw-Guinea. De Nederlanders voerden daar oorlog. Vaak vraag ik me af hoe dat geweest moet zijn. Mijn opa was de enige Surinamer van de bemanning en gitzwart.
Thuis was hij de tiran waar het gezin erg onder leed.

Welke eigenschap heb je echt van haar?

We houden niet van koken! Op een dag zei mijn moeder tegen mijn vader: ”Ik heb er genoeg van, ik stop ermee.” Sindsdien kookt mijn vader. Een enkele keer bedenk ik wat we eten maar mijn vriend is de kok. Wat ik ook van mijn moeder heb is dat we de dingen mooier maken dan ze zijn. Dat theatrale, dat heb ik echt van haar.

Waar stond de wieg van je vader?

In Nieuwesluis bij Rotterdam, dat plaatsje bestaat niet meer en is nu havengebied.

Welke eigenschappen heb je echt van hem?

We grappen soms dat hij een nerd is. De anekdote in de familie is dat hij één keer een onvoldoende heeft gehaald tijdens zijn middelbare schooltijd. Volgens zijn zeggen klopte dat niet. Hij is nieuwsgierig, leest graag en is gek op studeren. Hij helpt vaak met onderzoek voor mijn projecten. Nieuwsgierig naar mensen, naar de wereld en dingen uitzoeken. Daarin lijk ik op mijn vader. We gingen vaak samen op pad. Het museum voor volkenkunde was onze favoriet. Hij maakte me lid van de verrekijkersclub waar ik mocht overnachten in een tipi. Fantastisch.

Op welke plek voel je je het meeste thuis? En wat is thuis voor jou?

Als ik met mijn vriend ben. Niet per se in ons huis in Amsterdam. Sowieso kan ik niet aarden in deze stad. Ik mis het gemoedelijke, een buurtkroeg waar je de mensen kent. Het is nog steeds een zoektocht. Waarschijnlijk omdat ik toch een dorpsmeisje ben. Thuis betekent voor mij dat ik me niet opgejaagd voel. En dat ik even langs een vriendin kan gaan als het in me opkomt.

Voel jij je Nederlands-Surinaams, Surinaams-Nederlands of Nederlands of…?

Ik ben heel erg Nederlands met een Surinaamse connectie.

Je voorstelling laat toch juist een diepe verbinding zien met Suriname?

Ja, dat is waar. Ik hoor het mezelf steeds vaker zeggen: ik ben Surinaams-Nederlands.

Moest je van “ver” komen om de connectie te maken?

We dronken thuis Fernandes en gingen naar Kwaku. Maar het was niet meer dan aanstippen van de Surinaamse cultuur. Af en toe gingen we naar Surinaamse familiefeestjes en aten pom. Maar ik voelde niet dat ik erbij hoorde. Vaak vroeg ik me af waarom de oudjes aan de kant zaten. Het enige doel leek het wachten op eten. Mijn oma was een vrouw die in elke hoek van het huis knoflook neerlegde tegen kwade geesten. Maar ze toonde nauwelijks belangstelling voor mij of wat ik in mijn leventje deed. Er was weinig connectie. Op een keer was ik bij mijn opa op bezoek (mijn grootouders waren gescheiden) en had mijn schoenen niet netjes in de gang gezet. Met vuurspuwende ogen schoot mijn opa uit zijn slof. Op dat moment begreep ik wat mijn moeder als kind gevoeld moest hebben. En waarom ze het Surinaamse aan de kant had geschoven.  Mijn moeder is, in alles wat ze doet, heel Hollands.

Wanneer werd je bewust van je kleur? En wat was de aanleiding?

Mijn achttiende verjaardag ging ik vieren met vrienden in een kroeg in Leiden. Een paar gasten kwamen naar me toe. “Wat doe je hier, jij mag hier niet zijn.” Ze keken me vuil aan en hadden geschoren hoofden. Eerst was ik verbaasd. Hé? Ik sta hier altijd in deze kroeg met mijn vrienden. Hoezo? Toen het tot me doordrong was ik helemaal van slag. Mijn vrienden probeerden me te troosten met woorden in de trant van, trek het je niet aan, het zijn malloten. Toen besefte ik, dit is iets wat zij nooit zullen begrijpen. Hoe dit is, hoe dit voelt. Het is zo bizar! Het ging door merg en been. Het enige wat ik wilde was lekker borrelen en mijn verjaardag vieren.

 

Vrienden?

Al mijn vrienden behoren tot een groep. Ik heb juist veel verschillende vriendschappen maar hoor niet tot een bepaalde groep. Als ik naar ze kijk dan komen mijn vrienden enerzijds uit de creatieve hoek, en anderzijds zijn het academici.

Grappig dat je je vrienden naar beroep in deelt.

Ja, inderdaad (ze kijkt verwonderd). De achtergrond van mijn vrienden is redelijk gemengd maar iedereen is hoogopgeleid. Daarin is weinig diversiteit. Bij de makers ervaar ik meer invoelingsvermogen. Zij staan in het algemeen meer open voor de onderwerpen waar ik me mee bezig houd. Zij komen ook naar mijn voorstellingen kijken. Ik merk wel dat hoe meer ik me uitspreek hoe meer dit leidt tot verlies van mensen.

Hoe merk je dat dan?

Vrienden die ik niet meer zie of waar ik zelf afstand van neem. Kijk, als zij op Facebook allemaal vóór zwarte piet zijn, dan voel je… dan wéét je: we begrijpen elkaar niet. Dan heb je geen notie wat mij drijft en wie ik ben. Als het alleen maar bij borrelen blijft dan komt er natuurlijk geen diepgang.

Het blijft even stil en dan vervolgt ze: ik ben zoekende naar een diepere connectie met mensen, eigenlijk naar een diepere connectie in mezelf. Vroeger was ik meer de activist, maar ja het gaat er óók om wie er aan je bed staat als je ziek bent. Wie zorgt er dan voor je? Oude vriendschappen zijn belangrijk.

Hoe denk je dat de buitenwereld jou ziet? Als Nederlands of Surinaams?

Mensen zien mij als enthousiast persoon niet zozeer als tropisch. Alhoewel… ooit liep ik stage bij de KRO. Het was een diversiteits-stage. Dat bleek tijdens de presentatie van het jaarverslag. Opeens verscheen mijn naam onder het kopje “diversiteit”. Dat was een vreemde gewaarwording. Zulke ervaringen hebben mij gemotiveerd om er werk van te maken. Mensen het belang laten inzien van diversiteit, het écht snappen. Destijds durfde ik me nog niet uit te spreken.

Zijn er (erop terug kijkend) dingen die je miste tijdens het opgroeien die je zouden hebben geholpen bij de vorming van je “identiteit”?

Mijn ouders zijn onafscheidelijk en dus altijd samen. Zij hadden vroeger geen behoefte aan extra gezelschap. Ik hou juist van mensen om mij heen. Er kwamen zelden mensen over de vloer laat staan dat ze kwamen logeren. Die gezelligheid en warmte had ik meer gewild. Daarom was ik vaak bij andere gezinnen, want (daar heb je hem weer) zij gingen altijd borrelen.

Laatst was ik uitgenodigd voor een ontbijtdialoogtafel op Ketikoti en moest kiezen of ik wit of zwart was, de tafelsetting was ook hierop gebaseerd…
Wat doe jij?

Ze denkt er geen seconde over na: zwart, dat is politiek mijn huidskleur. Mensen zullen mij nooit als wit zien, ik bén zwart.

Wat is jouw dubbelbloedblooper?

In de tram deden twee Surinaamse jongens een poging om me te versieren. Ze daagden mij flink uit en op een gegeven moment vroegen ze:

“Ken je wel Surinaamse woorden?”

“Tuurlijk,” blufte ik.

“Zeg dan eens iets?”

Ik stak mijn kin in de lucht en zei met volle overtuiging: “Dushi.”

 

 

Voor Emma een “Watra Ingi” pangi rood wit. “Dat betekent dat je dingen van het water én van het land hebt” aldus Sabrina van Jursa Kulturu.

 

 

Bestel hier een exemplaar van Dubbelbloed!

 

 

 

 

 

 

Dubbelpret

Dubbelbloed “All over the world!” Een serie gesprekken.

 

Niet alles kan verteld worden noch gevraagd. Het zijn die ‘leegtes’ die een ander soort verstaan vereisen. Die van liefde en respect. Antwoorden noch inzichten laten zich afdwingen. De ruimte van het mens-zijn.

 

Foto: Sabrina van Jursa Kulturu waar ik een Pangi kocht voor Claudia als dank voor dit interview.

 


Dubbelpret –  Door Etchica Voorn

 

In gesprek met Claudia Esser (1964), dochter van een witte Jordanese moeder en een zwarte Surinaamse vader. In het dagelijks leven is ze ambachtelijk grimeuse.

Het is de eerste keer dat ik een vriendin interview over zwart én wit zijn. Spannend, omdat ik inschat dat we ons dubbelbloed heel anders ervaren. Wie zit er achter de mens Claudia Esser die ík ken? Zou het praten over ons dubbelbloed onze relatie verdiepen of veranderen?
We kennen elkaar een jaar of tien via een gezamenlijke Surinaamse vriendin. We maken vooral grappen en grollen over onze roots. Vaak met een vet Surinaams accent. Want hoewel we beiden ‘wit’ zijn opgegroeid en amper een woord Sranantongo praten, weten we de Surinaamse tongval feilloos na te bootsen.

Vrijdagmiddag om vier uur zit ik klaar met blocnote, telefoon en een ijskoude dyogo Parbobier. Claudia wervelt binnen met een grote bos kleurige zomerbloemen. We geven elkaar een innige brasa, dat gaat gepaard met veel lachen en uitroepen.

“Wat leuk chic, Parbobier!” roept ze enthousiast bij het zien van de donkerbruine literfles.

Claudia heeft een lichtbruine kleur en diep donkerbruine ogen. De enkele rimpels die ze heeft zijn van het lachen. De blonde krullen van haar verder korte kapsel vallen over haar voorhoofd. Lang en slank, een knappe verschijning. Ze beschouwt zichzelf als Nederlands maar in het gesprek zegt ze meerdere keren nadrukkelijk dat ze óók Surinaams is. Op haar friyari zijn de homemade pom en kip met rijst en kousenband – gesneden als dóppers – vaste prik.

Ik schenk het bier schuimend in de plastic bekers en stel de eerste vraag:

Waar stond je wieg?

Mijn Jordanese grootouders gingen vanuit de Jordaan ‘op chic’ wonen in de Spaarndammerbuurt, ook wel bekend als de moord-en-brand-buurt. Zij woonden in de Nova Zemblastraat. In dat huis ben ik geboren net als mijn moeder.

Welke eigenschap heb je echt van haar?
Mijn stem, honderd procent mijn moeder. Mijn vader was veel afwezig, dus ben ik door haar gevormd en leek ik innerlijk op haar. Naarmate ik ouder word steeds minder. Mijn moeder was mijn held. Ik was achtentwintig toen ze overleed en was zelf nét moeder. Na haar dood heb ik ontdekt wie ze echt was en heb ik haar van haar voetstuk gehaald. Ik wilde niet meer op haar lijken.

Iedereen heeft een donkere en een lichte kant. Als je naar haar lichte kant kijkt, wat zou je dan in haar herkennen?

Ze had het vermogen om het leven leuk te maken, dat heb ik ook, maar dát heeft mijn vader ook. Dubbelop dus, dubbelpret. (lachsalvo)

Waar stond de wieg van je vader?

Mijn opa was ingenieur, hij kreeg een baan bij de Shell en dus vertrokken mijn grootouders naar Curaçao. Mijn vader is geboren in Willemstad. Mijn opa had dusdanige losse handjes dat mijn oma mijn vader ter bescherming naar Nederland stuurde. Naar zijn tante Sylvie, zij woonde in de Nova Zemblastraat. Zo werd mijn vader de buurjongen van mijn moeder.

Ze werden verliefd, maar dat kon natuurlijk niet in de Jordanese familie. De schande van de buurt. Er was maar één manier om af te dwingen dat mijn vader bij mijn moeder kon wonen en dat was kinderen krijgen. Een zwarte man, een witte vrouw, ongetrouwd én twee kinderen. Laat ik zeggen dat we pioniers waren.

Opgroeien.

Mijn overgrootmoeder woonde ook in die straat. Weet je wat ze zei? “Die zwarten? Die zijn niet van mij.” Mijn oma was juist dol op ons en heeft ons in de roomboter gebakken, maar ze ging niet met ons naar haar moeder, wij mochten daar niet binnenkomen.
Maar ik was me nooit bewust van mijn kleur, mijn witte familie heeft me altijd heel veel liefde gegeven.

Wanneer werd je bewust van je kleur? En wat was de aanleiding?

De eerste keer dat ik echt gediscrimineerd werd, was toen ik met mijn ouders en broer in België woonde. We waren de enige kleurlingen op school. Maar ik bewoog me net als die andere kinderen. Op een gegeven moment was er een groepje jongens die hadden ons gespot en begonnen met schelden. “Hot chocolat!” schreeuwde een gozer. Of: “Molukkers.”

Op de derde dag ben ik op degene met de grootste bek afgestapt en heb gezegd: “Dit moet je niet doen.” “Hoezo, hot chocolat?” antwoordde hij. Toen heb ik hem neergeslagen en nooit meer last gehad.

Ik was een Amsterdams kind en streetwise. Er was vast vaker discriminatie, maar mijn vader deed overal luchtig over, dus ook dáárover.

Op welke plek voel je je het meeste thuis? En wat is thuis voor jou?

Ik ben Nederlands en voel me thuis bij witte mensen want daar ben ik bij opgegroeid.

In wat ben jij typisch Surinaams?

Ik eet heel graag Surinaams, ik lach heel graag en ik dans graag. Ik heb veel dingen die veel Surinaamser zijn dan bij Nederlandse mensen. Ik heb absoluut een tropische inslag, bijvoorbeeld de Nederlandse begrafenistraditie vind ik verschrikkelijk, terwijl, op een Surinaamse begrafenis daar ben ik thuis bij de Surinamers.

(Ze valt even stil.)

Ik geloof ook in geesten, ook heel erg Surinaams.

Wat geloof je dan?

Mijn Surinaamse oma – ik heb haar goed gekend – was een heks. Een lieve heks. Zij heeft dingen voor elkaar gekregen die helemaal niet kunnen. Op een dag belde ze mijn vader en zei: “Breng me naar mijn zus.” Gebiedende wijs, zoals dat gaat op zijn Surinaams. Mijn vader vroeg haar waarom, maar ze duldde geen tegenspraak en zei: “Jongen breng me naar mijn zus!” Haar broer, Bram, woonde in Suriname, hij bleek zeer ernstig ziek. Ze moesten gaan bidden. Dat zijn sessies van twaalf uur. De volgende dag was hij beter, terwijl hij op sterven lag. Die kracht, weet je dat is zo sterk. Ik geloof in die krachten.

Nam je vader je mee in de Surinaamse cultuur en traditie?

We hadden de witte kerst – met rollade en andere viezigheid – en we hadden de zwarte kerst. Als wij feesten hadden, waren het altijd Surinaamse feesten. Alles was veel: het eten, het lawaai, de muziek en heel veel liefde. Mijn moeder kookte Hollandse pot en Surinaams. Het Nederlandse en Surinaamse was thuis in balans.

In wat ben jij typisch Nederlands?

Ik ben heel ruimdenkend, maar misschien is dat wel typisch Amsterdams. Ik hou van André Hazes Sr. Ik ben eerder Amsterdams dan Nederlands.

Kantelpunt.

Mijn dochter heeft het Barlaeus Gymnasium in Amsterdam doorlopen. Je zou zeggen, dan word je toch breed opgeleid. Anderhalve bladzijde hebben we gevonden over de slavernij, meer niet. Dat vind ik echt schandalig. Daar zou ik me voor in willen zetten, om het slavernij verleden reëel op de kaart te zetten. Het moet in de geschiedenisboekjes.

In hoeverre doet je kleur mee met jouw identiteit?

Voor mij niet maar voor andere mensen wel. Ik hoor bijvoorbeeld altijd, ik zie jou helemaal niet als halfzwart. Maar dat ben ik welzéker! Vroeger was ik een catch, dat klinkt raar, maar mensen deden hun best om bevriend met me te zijn. Ik had wel het idee dat dat met het exotische te maken had. Ik zag er anders uit en dat was aantrekkelijk.

Weet je, ik ben altijd zelfverzekerd geweest, heb nergens last van. Ik heb van mij af leren bijten. Als mensen mij aanvallen ben ik verbaal een mitrailleur en dan eindigen ze huilend in een hoekje. (Lacht een vette lach.)

Is dat ook niet een manier om dingen niet echt binnen te laten komen?

Maar dat heeft niets met kleur te maken.

Eens, maar het gaat om identiteit, en je kleur is daar onderdeel van, toch?

Nee, ik vind niet dat mijn streetwise zijn iets met mijn kleur te maken heeft. In mijn geval was het ingewikkeld om mijn identiteit te vormen. Laat ik het zo zeggen. Van kleins af aan was het overleven. En dat overleven heb ik vechtend gedaan. Pas rond mijn vijfenveertigste kreeg ik door wie ik was.

Wat was het dat je dacht, dit ben ik?

Mensen zagen mij als een gevoelloos iemand met een grote bek, maar dan dacht ik: hoe kun je dat nou zeggen, dat bén ik helemaal niet. Blijkbaar had ik dat wel uitgestraald. Ik dacht, ik ben helemaal niet wie jullie allemaal denken die ik ben. Dat is wel handig dat jullie dat dachten, maar nu is het tijd om naar mezelf te gaan.

Ik vind mezelf lief en aardig en zeker niet gevoelloos. Ik heb wel een grote bek, dat hoort erbij. Als het nodig is, schakel ik meteen terug naar mijn overlevingsstand. Mijn midden veertig was een kantelpunt, toen werd ik bewuster van mijn zwart zijn. Het grappige is dat ik vroeger nooit zwarte vrienden had en nu wel. Geen bosjes, maar de meesten in mijn kring hebben wel een kleurtje. Ik denk dat dat komt doordat ik mezelf herken, pure herkenning.

Ik nam deel aan een ontbijtdialoogtafel op Ketikoti en moest kiezen of ik wit of zwart was, in verband met de tafelsetting. Wat zou jij doen?

Als de setting zou zijn, links wit en rechts zwart, dan ga ik in het midden zitten. Daar hoor ik en nergens anders. En ik zou zeggen tegen die mensen, ga een lesje inclusiviteit doen, ben je nou helemaal gek.

Heb je een dubbelbloed blooper?

(Ze denkt even na.)

Ik ging op vakantie naar Zuid-Afrika met Patrick, mijn witte partner. Mijn kinderen waren in paniek dat ik naar het land ging waar ik vast en zeker gediscrimineerd zou worden. Vanaf het vliegveld namen we een taxi, de chauffeur was van Indiase afkomst, in Zuid-Afrikaanse begrippen coloured. Ik vraag aan hem: “Denk jij dat ik het hier moeilijk ga krijgen?” Hij keek me aan in zijn achteruitkijkspiegel, fronste zijn gezicht en zei: “Why?”

 

Voor Claudia een “Alakondre” pangi. ‘Dat betekent dat je alle gidsen die je bij je draagt, eert.’ Aldus Sabrina van Jursa Kulturu

Bestel hier een exemplaar van Dubbelbloed!

 

 

EEN BEETJE DUMMY

De afgelopen week heb ik – voor zover ik weet – twee keer iets heel doms gezegd. De eerste keer was in gesprek met mijn Marokkaanse nichtje, ze is de vriendin van mijn neef. Ze vertelde dat maandag (6 mei 2019) de ramadan begint waarop ik uitriep: Oh nee!

Met vragende ogen zo groot als schoteltjes vroeg ze half lachend en vooral niet begrijpend: “Waarom zeg je oh nee?”

Stuntelig antwoordde ik: “Zo bedoel ik het niet, maar je hebt al zo druk, dat vertelde je net toch? Je zei net dat je…. Nou ja, is ramadan dan niet een extra belasting voor je?” Ik hóórde in mijn eigen oren dat dit de zaak er niet beter op maakte. Hé, gadverdamme wat zeg ik nou voor doms? Mijn kaken werden behalve donkerrood ook erg heet.

Gelukkig is mijn emotionele bankrekening goedgevuld, althans dat vermoed ik, want welwillend legde ze mij uit dat de ramadan voor haar een tijd van bezinning is en dat ze daardoor de dingen in het juiste perspectief ziet. Ze komt dan tot (een innerlijke) rust. Ze is al enige jaren in onze familie, dus ik weet zeker dat ze het mij eerder heeft uitgelegd. Wat het nog gênanter maakte.

“De hele wereld moet maar even wachten, doeiiii,” zei ze er verlangend achteraan en schudde haar zwarte krullenbos alsof ze de ballast van haar drukke leven alvast af wilde schudden. Spijtig realiseerde ik me dat ik ook bij die hele wereld hoorde terwijl vasten iets is wat mij vast goed zou doen.

De tweede uitglijer die ik maakte was tijdens een bliksembezoek aan een nichtje, dochter van de broer van mijn moeder. Haar vader was mijn lievelingsoom en helaas allang overleden. Koetjes en kalfjes krijgen bij ons nauwelijks de kans, onze band is dan ook heel speciaal. Terwijl ze mij een Hollands bakkie filterkoffie met warme melk voorzet, komt er, béng, direct een onderwerp van gewicht op de salontafel van bruine tegels. Iets over projectie en spiegelen. Haar dochter en man hoorden het geamuseerd aan, ze kennen ons langer dan vandaag, en gingen de deur uit voor “de velddienst ”. Wat betekent dat ze “in het veld” bij mensen aanbellen om de blijde boodschap te verkondigen. Hun leven lang zijn zij Jehovah’s getuigen.

Waarom, oh waarom zitten er in de krochten van mijn hersenen flauwe grappen opgeslagen? Vanuit het niets maak ik de “gevatte” opmerking: Nou dag hoor, enne… trek ze binnen he!

“Weet je nou nóg niet dat het om iets ánders gaat,” grinnikte mijn nichtje plagend. Ze vervolgt, serieus nu, dat de aanpak drastisch is veranderd. “We vragen mensen of ze in gesprek wíllen in plaats het contact vanuit de overtuigingsmodus aan te gaan. Het aantal gesprekken is dramatisch teruggelopen,” schaterlacht ze, “maar de dialogen die er wel zijn, zijn geweldig.” De kuiltjes in haar wangen worden nog dieper, ze glundert met haar hele gezicht.

Thuisgekomen schaamde ik me over mijn stomme grap. Jehovah’s getuigen zijn vaak genoeg het onderwerp van hoon en spot. Onnadenkend heb ik een duit in de dommegrappenzak gedaan.

Ik bedoelde het niet zo, schoot het door mij heen. Maar dat, weet ik uit eigen ervaring, is de dooddoener aller dooddoeners, het zou verboden moeten worden. Ten eerste had ik kunnen weten dat mijn opmerkingen een beetje dummy waren, ik loop al jaren met mijn nichtjes mee, ten tweede zijn de keren dat ik zelf aan moest horen zó bedoelde ik het niet met als variatie ik bedoel het niet zo, ontelbaar. Het is de hoogste tijd om te zeggen wat we wél bedoelen. En geen domme vragen te stellen, stomme grappen of onnadenkende opmerkingen te maken.

De volgende keer als ik mijn Jehovah’s getuige familie uitzwaai wens ik ze gewoon “veel succes” en voor wie een periode van dertig dagen vasten, aanbreekt hierbij een oprecht “Ramadan Mubarak”. Het is preciés wat ik bedoel te zeggen.

 

Bestel hier een exemplaar van Dubbelbloed!

 

Inspiratie aan de costa

“Doe je ding!” riep manlief terwijl hij zich nog een keer lekker omdraaide en met een fris gemoed ging ik op weg. Ik heb inspiratie, en kan niet wachten om het op te schrijven. Net als thuis ga ik dat in een koffietentje doen. Ik had een cafeetje gezien waar je vast op zijn Spaans kon ontbijten.

Doelbewust liet ik het internetcafé links liggen, de mogelijkheid van internet zou me afleiden en bovendien zag ik iemand roken. In de vroege ochtend in de walm van sigaretten zitten leek me niet aantrekkelijk.

 

Het volgende tentje liep ik naar binnen. De ingang was vergelijkbaar met een voortent waarin een deur die me aan een caravan deed denken. De scheve deur ging met een lichte klik open toen ik ertegenaan duwde. “Bon dias,”zei ik tegen niemand in het bijzonder. De doorzichtige plastic wanden van het tentje waren net als de knaloranje overkapping oprolbaar. Dat wil zeggen, als het weer het toeliet. Zelfs voor de Costa was april te koud voor het jaar dus wanden en overkappingen bleven uitgerold en uitgevouwen en hielden de snijdende wind en temperatuur buiten.

 

Zes zwarte ijzeren bistrotafeltjes stonden langs de kanten opgesteld. Eromheen bijpassende stoeltjes die er bedrieglijk geriefelijk uitzagen. Ik liep door naar de winkel annex bakkerij. Een meisje die nauwelijks boven de toonbank uitkwam klom juist op een trappetje om warme stokbroden uit de oven te halen. Ik bestelde een café con leche en basso (koffie met melk in een glas) en een tostada con tomato, en verheugde me al om de met olijfolie en zout besprenkelde toost met tomaat te verorberen. Mijn Spaanse guilty pleasure. Ik zette me aan een van de ronde ijzeren tafeltjes in de voortent en haalde mijn laptop uit mijn donkergroene rugzak. Automatisch nam ik een diepe ademteug als om mijn gedachtestroom kracht bij te zetten zodat ik al die duizenden woorden die zich in mijn hoofd hadden opgehoopt op poëtische wijze op het scherm kon laten verschijnen.

 

Een Spaanse vrouw met een ‘kek’ spijkerjasje, witte broek, duur merk sportschoenen, glossy Ray-Ban op haar gebruinde gezicht waaide binnen. Ze bestelde een koffie en stak met flair een sigaret op. Ze inhaleerde diep. Kennelijk mocht je in de voortent roken. Nog een vrouw maakte haar entree, lange benen gestoken in een lichtkleurige panty en schoenen met hakken van minstens vijftien centimeter. Ze droeg een suéde rokje wat haar kostbaarheid verhulde. Maar daar was dan ook alles mee gezegd. In haar ene hand lag een smartphone zo groot als een mini tv en tussen de vingers van haar andere hand hield ze op elegante wijze een dunne witte sigaret vast. Ze had pikzwart steil halflang haar en droeg een donkere zonnebril alsof de plastic overkapping haar niet genoeg tegen de aprilzon kon beschermen. Ze bestelde een coffee to go maar ging toch pal naast mij zitten, rookte haar chique witte sigaret en scrolde verveeld door YouTube filmpjes, mét geluid.

 

De tent stroomde snel vol met Spanjaarden, mensen op weg naar hun werk, een overleg met kantoorgenoten, bouwvakkers in hun pauze en gezinnen met kinderen. Al snel stond de tent blauw van de rook. Tussendoor dronk men koffie en at ontbijt. De bestellingen varieerden van tostado con tomato, croissantjes, bocadillo con jamon (spreek uit gamón) en tortilla vergezeld met de typische Spaanse sterke koffie. Voor de kleintjes was er warme chocolademelk. Het was een gezellige boel, de slierten tabaksrook dansten vrolijk in het zonlicht door de ruimte. Kleine kinderen renden erdoorheen en maakte gillend figuren in de mist terwijl ze met hun minivingers hun neusjes dichtknepen.

 

De stoeptegelvloer raakte bezaaid met opengescheurde suikerzakjes, plastic blauw en rood gestreepte rietjes, kontjes getoast stokbrood, lege plastic cupjes olijfolie, uitgetrapte filterpeuken en servetjes zo dun als vloeipapier. Zonder enige irritatie veegde een meisje de vloer aan. Mijn inspiratie is in rook opgegaan in dit  onverwachtse decor.  Ik veeg de kruimels van mijn mond en mijn tafeltje en leeg mijn glas koffie.  Mijn billen zijn gevoelloos, de ijzeren zitting begon zijn tol te eisen. ‘La quenta por favor’, het is tijd om af te rekenen. Niet met de duizenden woorden die trappelend van ongeduld hun opwachting hadden gemaakt. Zij moesten nog even wachten.

Kerst Kermis

 

‘Lieverd, ben je boos op me?’ Licht verbaasd lees ik het bericht, totdat ik besef dat ik niet heb gereageerd op haar app van enige dagen geleden.

Dat bericht ging over sisterhood. In het Engels sprak mijn vriendin haar waardering voor me uit, ze bewonderde mijn daden en doorzettingsvermogen. Ik zou haar kracht en zelfvertrouwen geven waardoor zij haar dagelijkse beslommeringen nét wat beter aankon en daarvoor bedankte ze mij uitvoerig. Ze vond me een winnaar – oké, dáár zit iets in het afgelopen jaar –  haar “battles” brachten haar af en toe in een overwinningsroes en dat kwam ook al door mij. Het bleek Sisters’ Day, een dag waarop je al je zusters je liefde en respect toont, een hart onder de riem steekt, happy Sister’s Day wenst. Heel lief van haar natuurlijk toch voelde ik niet de neiging te antwoorden.

Het zijn standaardteksten die de laatste jaren vaker rondwaren op internet. Van alle kanten komen op een dag dezelfde berichten binnen als op-poppende vergeet me nietjes.  Zussendag, broer en zus-dag, vriendinnendag, nationale ouderen- en burendag en de dag tegen de eenzaamheid-dag waar nu zelfs een hele week voor is uitgetrokken. Eenzaamheid is sowieso een dankbaar terugkerend onderwerp in de decembermaand. Alsof we dan meer dan in de andere elf maanden gevoelig zijn voor de mensen om ons heen. Collectief worden we aangesproken op onze menselijkheid en aangezet om in actie te komen voor de kwetsbaren in onze samenleving.

Kerst maakt de mensen wee, we ontdoen ons van maskers en harnas en maken plaats voor het licht die als damhertjes over onze schaduwen heen springen.

Ik denk aan mijn vader en zie hem staan op een ouderwets huishoudtrappetje. Met zijn ruim 1 meter 85, balanceert hij met zijn lange sterke armen en benen op de wiebelige treetjes. Zijn billen steken krachtig uit in een of andere kleur broek. Hij draagt rode, blauwe, witte, roze pantalons, een enkele keer een zwarte maar nooit een spijkerbroek.  Ik kijk naar zijn diep donkerbruin gekleurde handen met dikke gelige nagels en eelt op de vingers van het vele trommelen op conga en bongo. Tussen zijn lippen klemt hij een zilveren glitterslinger om zijn handen vrij te hebben voor plakband. Het is het begin van de jaarlijkse kerstrally die zal duren tot minstens 8 januari. Hij begint zoals altijd bij het raam dat de slaapkamer scheidt van de huiskamer. Zilveren, gouden en rode slingers hangt hij in perfect symmetrische guirlandes langs de kozijnen. Zijn lichaam beweegt subtiel op de ritmische klanken van Tito Puente.

Met de kerst in zicht verhief hij het decoreren tot een ware kunst en in twee dagen is de flat in Amsterdam-Noord waar ik ooit als kind woonde getransformeerd tot een lichtjes- en glitterfestijn dat niet onderdoet voor de eerste de beste versierde winkelstraat in Amsterdam. Versieren zat hem altijd al in het bloed. Tussen de glimmende guirlandes prijken enorme rode en witte papieren vouwklokken. In de hoek van de kamer staat als huzarenstuk de witte kerstboom. De plastic takken zijn bezaaid met lichtjes in alle kleuren van de regenboog. Ze dansen aan en uit op de muziek van James Brown, Aretha Franklin, Otis Redding, Al Green en de salsa van Queen Celia.

Elk jaar vond dit ritueel plaats. Alsof hij bekaf was van de reputatie die hij het hele jaar op moest houden. Eindelijk toegaf aan zijn moeheid, even afstand nam van de persoon die van niemand tegenspraak duldde en zijn vrouwen met klappen en dreigende woedeaanvallen onder de duim hield. Hij liet als het ware een bad vollopen met liefde om zichzelf, zijn kinderen, vrienden en wie toevallig voorbijkwam onder te dompelen in een rituele ontgifting. Wat gepaard ging met lekker eten en veel drinken. Mijn gevoelens raakten in de kersttijd altijd in de war. Ik was bang van hem en ik hield van hem. Tegelijk was ik gefascineerd dat onder zijn stoere uiterlijk een uitgesproken zachte en gevoelige kant huisde. Ik heb altijd vermoed dat er veel eenzaamheid school in de man die jaarlijks in zijn eentje zijn huis omtoverde tot kerst-kermis en de heerlijkste Surinaamse gerechten op tafel toverde.

Drieëntwintig jaar na zijn dood kan ik erg naar mijn enige echte vader verlangen. Als hij er nog zou zijn, zou ik mijn armen om zijn hals slaan en zeggen: fawaka papa? Lieve ouwe pa van me, woeste pa, zachte pa, mi lobi yu. Hij zou me nors een tyuri geven, terwijl een zielsgelukkige glimlach door zijn rimpels breekt.

Daar zouden we geen vader-dochterdag voor nodig hebben, zelfs geen kerst.

 

            

 

Abonneer

 

Verdacht

Ping!

“Heb je mijn uitnodiging gezien? Ga je mee? Het is een première, alleen voor genodigden, op het Nederlands filmfestival, de belangstelling is groot.” De app was duidelijk en bovendien had ik mijn vriend R. al een tijdje niet gezien, een goeie gelegenheid om bij te praten.

Utrecht was gezellig, de septemberzon scheen uitbundig. Mijn vriend zag een bekende, ze slaan elkaar amicaal op de rug. “Weet je dat we nu ook al geen blank meer mogen zeggen?” opende de bekende schaterend het gesprek. Mijn vriend is een donkere Surinaams Nederlandse man, iets aan de zware kant, en bijna twee meter lang. Goeie kop, een groot rond gezicht, zware wenkbrauwen en donkerbruine ogen die – al doet hij nog zo zijn best om serieus te kijken – altijd lachen. Zijn kin herbergt een aandoenlijk kuiltje. Ik hou van zijn zware stem en bulderende lach. Een bijna schuchtere lach kwam er nu voor in de plaats, wat moet hij anders? Ontwijken, er niet op ingaan, het is bekend terrein.

Een bejaarde dame die de opmerking opving, keek mij aan met een vurige blik en zei: “Wát moeten we dan in Godsnaam tegen jullie zeggen?” Ik had die vrouw nog nooit in mijn leven gezien.

“Goedemiddag, gezellig.” zei ik, “gaat u ook naar de documentaire?” Dat bleek zo te zijn.

Ondanks de titel “Verdacht” schuifelde ik neutraal en goedgemutst de knusse filmzaal in, ik had me vooraf niet verdiept en liet me verrassen. De verrassing kwam hard aan.

Nan Rosens, de documentairemaakster, leidde de film in. Het bleek te gaan om etnisch profileren door de politie. De veertien personen die werden geïnterviewd in de film zouden hun ervaringen vertellen. Opeens bekeek ik de politieman in uniform, die een paar rijen voor mij in het publiek zat, met nieuwe ogen. Zijn werkgever ging er niet goed van afkomen, zoveel werd wel duidelijk uit de inleiding. De film begon. De portretten van de personen werden indringend neergezet en namen me mee in een sluipende emotie. Wat begon als een trilling ontwikkelde zich tot een fnuikende tsunami die nog dagen zou voortduren.

Zomer 1977 er wordt hard op de voordeur gebonkt. De vroege ochtend schemert. Weer hoor ik klappen op de voordeur. Het volgende moment geschreeuw en voeten die de trap op bonken. Ik kijk uit het raam en zie drie politieauto’s en een politiebusje staan in onze straat. Het volgende moment zie ik nog net hoe mijn broer hardhandig in een politieauto geduwd wordt. In mijn herinnering heeft hij nauwelijks tijd om zich aan te kleden en is zijn bovenlijf bloot. Hij is zeventien of achttien jaar. Een paar uur later kon mijn moeder hem ophalen van het politiebureau in Mijdrecht. Reden van aanhouding? Een vrouw had mijn broer “herkend” als dader van een vergrijp. Alleen, hij was het niet. “Jullie lijken allemaal op elkaar.” Daarmee was de kous af, excuses werden er niet gemaakt.

Op een dag komt mijn broer voorrijden in een stoere opzichtige Amerikaanse bak. Lichtblauw met witte strepen op de zijkanten, glimmende chromen velgen en een glimmend houten dashboard. De achterbank en stoelen waren bekleed met rood leer. De auto had hij gekocht met een van zijn beste vrienden. Trots als pauwen reden ze door de straten van Uithoorn en langs de grachten van Amsterdam. Nog geen twee maanden later verkopen ze het brullende monster. Tientallen aanhoudingen en vele bekeuringen later was de lol er wel af.

Een neefje wordt aangehouden voor zijn huis, een vrijstaande bungalow. Surveillerende politie voelt hem aan de tand. “Wat doe je hier?” “Ik woon hier!” De politieagenten geloven hem niet en hij moet praten als brugman omdat hij zich niet direct kan legitimeren.

Deze en nog veel meer herinneringen tuimelden door mij heen. De meesten slechts in contouren vergezeld van een benauwd gevoel. Het is precies deze beklemming die als een reuzenhand om mijn keel lag, na het zien van de documentaire “Verdacht”. Veertig jaar later is er nog weinig veranderd.

Ontluisterend vond ik het relaas van de politieman – toen al inspecteur – die door zijn eigen collega’s regelmatig werd aangehouden en zich moest legitimeren. “Pap, waarom doen ze zo moeilijk jij bent toch ook bij de politie?” vroeg zijn zoontje vanaf de achterbank. Hij kon zijn emotie niet onderdrukken toen hij probeerde uit te leggen wat de vernedering en machteloosheid met hem heeft gedaan. Het was schokkend en pijnlijk om geconfronteerd te worden met ervaringen van jongens, mannen en vaders die een aanhouding zagen als hun lot, iets wat er nu eenmaal bij hoort.

Het licht ging aan in de muisstille zaal. De filmmaakster liep naar voren en verbrak de stilte met een dankwoord. Ze vertelde dat zij, Jair Schalkwijk en Dionne Abdoelhafiezkhan, van de burgerrechtenorganisatie Controle Alt Delete waarmee ze de docu samen maakte, én de personen uit de film in de bar aanwezig zouden zijn om met elkaar te praten en te delen. ‘Dat is hard nodig,’ zei ze terwijl ze met een bezorgde blik de zaal inkeek, ‘het is niet niks wat je gezien hebt en het kan helpen om met elkaar te praten.’ Het leek wel Stichting Korrelatie live.

Op 10 december (2018) werd de documentaire voor het eerst vertoond op de Nederlandse televisie, NPO2. Mocht je via “Uitzending gemist” gaan kijken, herinner je dan de woorden van Nan: “Het is niet niks” wat je gaat zien.

https://www.uitzendinggemist.net/aflevering/458269/2doc.html

 

v.l.n.r. Reginald Elstak, Sydney Mutueel (in doc) rechts van mij Giovanni Adriaanse (in doc)

 

Altijd te dik (maar niet in Suriname)

Hoe dichter onze vertrekdatum naderbij komt hoe meer ik ga eten. “Nu kan het nog!” roep ik. Op het hysterische af verorber ik een extra grote portie bami, een bakabana met “pinda” en een mierzoete frisse dawet. De kiloknaller kan niet uitblijven. Zwarte cijfers en streepjes roetsjen omhoog als ik mijn voeten één voor één op de weegschaal plaats. Genadeloos wijst het ding mij op de stand van zaken. Met één voet schuif ik hem onder mijn bed. Ooit, rond mijn twaalfde, schreef ik als laatste zin van een gedichtje: “Ik wou dat ik je wég kon gooien weegschaal!”

Ruim veertig jaar later staat ie nog steeds onder mijn bed en vind ik mijzelf nog altijd te dik. Het warme voorjaar joeg mij al schrik aan. Ik was nog lang niet klaar voor een korte broek, laat stáán een zomerjurk. Met afgrijzen keek ik naar de enorme bolling onder mijn shirt. Zuchtend keerde ik mij van mijn spiegelbeeld af en stapte de zonnige wereld in. Een buurtgenoot met haar twee hondjes liep mij tegemoet langs de kade.

“Weertje hè?”

Opende ze het sociale Nederlandse ritueel? Ik fantaseer weleens dat we bij elkaar op de koffie gaan, haar naam durfde ik niet nog een keer te vragen. Ze lijkt me een gevoelige vrouw.

“Hé hallo, ja heerlijk,” antwoordde ik.

“Wie heeft er nu al op de zomer gerekend?” Niet wetende dat deze temperaturen een lachertje waren bij de meedogenloze hitte die ons nog te wachten stond. Moedeloos pakte ze met beide handen haar vetrollen beet en maakte twee korte bewegingen op en neer. Halsbandparkieten leken ons toe te schreeuwen en vlogen rondjes boven onze hoofden. Het gordijn met duizenden lichtgroene jonge blaadjes van de treurwilg schitterde op het grachtwater. Een gele brem geurde in zoete slierten argeloos de verzengende zomer tegemoet. Het was een extreem mooie lenteochtend.

“Minstens tien kilo…,” ze tuitte haar lippen en blies hard haar adem uit, begripvol knikte ik haar toe.
“Ik begrijp wat je bedoelt.” Meelevend keken we elkaar aan maar wisten er niets zinnigs aan toe te voegen. Zodra Nederlandse temperaturen stijgen en de “r” uit de maand is, krijgen veel mensen het op hun vetheupen.

Het was een drukke zomer. In onbewaakte ogenblikken was ik mijn figuur zelfs dusdanig vergeten dat ik aan accepteren niet eens toe hoefde te komen. De tropische temperaturen dwongen mij in nauwelijks bedekkende jurkjes en regelmatig stak ik mijn kop in een of ander zandstrand.

Af en toe sloeg ik een taartje of glaasje wijn af met de woorden: “Nee dank je, ik let een beetje op.” Het hoofd biedend aan de monsterende blikken.

In Suriname schijnt meestal de zon en is het altijd warm. In mijn vaders land voel ik mij totaal niet bezwaarlijk over mijn BBB. Hoe het precies in mijn hoofd werkt weet ik niet – vergeef me de generalisatie – maar de Surinaamse vrouw is een groot voorbeeld voor mij. Mijn gevoel is dat ze haar lichaam draagt met trots en opgeheven hoofd. Of ze nu een maatje minder of meer heeft. Schertsend en liefkozend tegelijk worden billen aan de maat “Surinaamse wapens” genoemd. Dat heeft een aanstekelijk effect, ik mag er zijn! Ook met dikke billen.

In Suriname lóóp ik rechtop, draag ik met overtuiging een strakke broek en wieg lillend door de straten en langs de Waterkant – een beroemde uitgaansplek langs de Surinamerivier in Paramaribo. Als ik een bekende tegenkom schudden we handen in plaats van vetkwabben, geven we een brasa in plaats van drie zoenen. Een weegschaal heb ik daar helemaal niet nodig. Het is wel even wennen om je zelfvertrouwen te behouden met een volumineus lichaam.

Een nichtje met een maatje meer vertelt het zo: “De eerste keer dat ik in Suriname kwam liep ik een keer langs de Waterkant. Een man liep mij tegemoet en zei: Hé, schatje, psst, saaáng, je bent móói hoor. Ik stak mijn neus verticaal de lucht in en keurde de complimentengever geen blik waardig. Nadat hij mij gepasseerd had en kennelijk nog een keer had omgekeken riep hij luidkeels: “Wát? Schatje? Niet één keer schatje maar duizendmaal schatje!”

Tegen dergelijke complimenten was zelfs mijn quasi koele nicht niet opgewassen, en er brak – onzichtbaar voor de charmeur uiteraard –  een vergenoegde glimlach door op haar gezicht.

In Nederland is de r weer in de maand, de zomer doet een laatste uithaal naar de herfst. Binnenkort pakken we de boel weer in en lopen de sportschool plat. Ik kan niet wachten tot het weer voorjaar wordt. Of een reisje kan boeken naar Suriname.

 

Pagina 1 van 3123