EEN BEETJE DUMMY

De afgelopen week heb ik – voor zover ik weet – twee keer iets heel doms gezegd. De eerste keer was in gesprek met mijn Marokkaanse nichtje, ze is de vriendin van mijn neef. Ze vertelde dat maandag (6 mei 2019) de ramadan begint waarop ik uitriep: Oh nee!

Met vragende ogen zo groot als schoteltjes vroeg ze half lachend en vooral niet begrijpend: “Waarom zeg je oh nee?”

Stuntelig antwoordde ik: “Zo bedoel ik het niet, maar je hebt al zo druk, dat vertelde je net toch? Je zei net dat je…. Nou ja, is ramadan dan niet een extra belasting voor je?” Ik hóórde in mijn eigen oren dat dit de zaak er niet beter op maakte. Hé, gadverdamme wat zeg ik nou voor doms? Mijn kaken werden behalve donkerrood ook erg heet.

Gelukkig is mijn emotionele bankrekening goedgevuld, althans dat vermoed ik, want welwillend legde ze mij uit dat de ramadan voor haar een tijd van bezinning is en dat ze daardoor de dingen in het juiste perspectief ziet. Ze komt dan tot (een innerlijke) rust. Ze is al enige jaren in onze familie, dus ik weet zeker dat ze het mij eerder heeft uitgelegd. Wat het nog gênanter maakte.

“De hele wereld moet maar even wachten, doeiiii,” zei ze er verlangend achteraan en schudde haar zwarte krullenbos alsof ze de ballast van haar drukke leven alvast af wilde schudden. Spijtig realiseerde ik me dat ik ook bij die hele wereld hoorde terwijl vasten iets is wat mij vast goed zou doen.

De tweede uitglijer die ik maakte was tijdens een bliksembezoek aan een nichtje, dochter van de broer van mijn moeder. Haar vader was mijn lievelingsoom en helaas allang overleden. Koetjes en kalfjes krijgen bij ons nauwelijks de kans, onze band is dan ook heel speciaal. Terwijl ze mij een Hollands bakkie filterkoffie met warme melk voorzet, komt er, béng, direct een onderwerp van gewicht op de salontafel van bruine tegels. Iets over projectie en spiegelen. Haar dochter en man hoorden het geamuseerd aan, ze kennen ons langer dan vandaag, en gingen de deur uit voor “de velddienst ”. Wat betekent dat ze “in het veld” bij mensen aanbellen om de blijde boodschap te verkondigen. Hun leven lang zijn zij Jehovah’s getuigen.

Waarom, oh waarom zitten er in de krochten van mijn hersenen flauwe grappen opgeslagen? Vanuit het niets maak ik de “gevatte” opmerking: Nou dag hoor, enne… trek ze binnen he!

“Weet je nou nóg niet dat het om iets ánders gaat,” grinnikte mijn nichtje plagend. Ze vervolgt, serieus nu, dat de aanpak drastisch is veranderd. “We vragen mensen of ze in gesprek wíllen in plaats het contact vanuit de overtuigingsmodus aan te gaan. Het aantal gesprekken is dramatisch teruggelopen,” schaterlacht ze, “maar de dialogen die er wel zijn, zijn geweldig.” De kuiltjes in haar wangen worden nog dieper, ze glundert met haar hele gezicht.

Thuisgekomen schaamde ik me over mijn stomme grap. Jehovah’s getuigen zijn vaak genoeg het onderwerp van hoon en spot. Onnadenkend heb ik een duit in de dommegrappenzak gedaan.

Ik bedoelde het niet zo, schoot het door mij heen. Maar dat, weet ik uit eigen ervaring, is de dooddoener aller dooddoeners, het zou verboden moeten worden. Ten eerste had ik kunnen weten dat mijn opmerkingen een beetje dummy waren, ik loop al jaren met mijn nichtjes mee, ten tweede zijn de keren dat ik zelf aan moest horen zó bedoelde ik het niet met als variatie ik bedoel het niet zo, ontelbaar. Het is de hoogste tijd om te zeggen wat we wél bedoelen. En geen domme vragen te stellen, stomme grappen of onnadenkende opmerkingen te maken.

De volgende keer als ik mijn Jehovah’s getuige familie uitzwaai wens ik ze gewoon “veel succes” en voor wie een periode van dertig dagen vasten, aanbreekt hierbij een oprecht “Ramadan Mubarak”. Het is preciés wat ik bedoel te zeggen.

 

 

 

You may also like