Gewoon een Nederlander

t een leuk en open gesprek, hij valt me reuze mee, dat soort gedachten zigzagden door mijn hoofd.

Net toen ik hem geloofde boog hij voorover, keek me door zijn bril intens aan en zei: ‘Ik wilde het vóór ons interview niet zeggen, maar ik ben getrouwd met een Indonesische vrouw. Ik weet precíes wat je meemaakt.’ Hij legde de klemtoon op precies en knikte me vriendelijk toe.

Verwonderd keek ik hem aan, en deed mijn best te reageren op wat hij zou kunnen bedoelen: ‘Oh? Dus jij maakt ook een heel proces mee?’ Het was duidelijk dat ik me geen raad wist met zijn mededeling, mijn vraag sloeg kant noch wal. Welk proces? Gelukkig wist hij wél wat ik bedoelde en antwoordde: ‘Dát heb ik natuurlijk alláng achter de rug.’

Ik bleef een kort moment stil en vroeg:

‘Hoe lang zijn jullie getrouwd?’

‘Oh poeh, nou eens even denken hoor.’ Hij kwam er niet op, zo lang zaten ze al in het huwelijksbootje. Samen hebben ze twee kinderen, dertigers.

Voordat ik kon checken waar hij op doelde met ik weet precíes wat je meemaakt. vervolgde hij met een lach: ‘Eén voordeel, gemengde kinderen zijn véél mooier.’

Zijn opmerking ontlokte mij een diepe zucht. Is dit het resultaat van een uur interview? Waarin ik zorgvuldig probeer uit te leggen wat dubbelbloed voor mij betekent, het één zijn in twee culturen?
In de proloog van Dubbelbloed schreef ik: …toen ik ouder werd begreep ik dat het woord “mulat” een aantrekkelijke vooroordeel in zich borg, het wil namelijk zeggen per definitie bloedmooi en sexy.

Ik dacht aan mijn zwarte nichten. Hoe vaak zouden ze dat te horen hebben gekregen in hun leven? Hoe mooi die ‘halfbloedjes’ wel niet waren?

De telefonische kennismaking met deze journalist van een groot landelijk dagblad ging al niet van een leien dakje. ‘Ik wil je persoonlijke verhaal tegen het licht van de huidige zwart-wit discussie,’ gaf hij als reden van zijn telefoontje.
‘U bedoelt het debat over racisme en Black Lives Matter?’ Mijn stem klonk vinniger dan ik wilde.

‘Nou kijk, er zijn mensen die beweren dat er heel véél racisme is en mensen die zeggen dat het allemaal wel meevalt.’ Zijn uitleg maakte de zwart-wit context glashelder.

‘Goed, u wilt mijn persoonlijke verhaal, maar wie bent ú eigenlijk?’

‘Ik? Ik ben gewoon een Nederlander.’

‘Dat treft,’ zei ik, ‘ik ook!’

‘Ja maar, ik ben een blanke Nederlander.’

‘U bedoelt een witte Nederlander.’

‘Oeps, blank, dat mag ik niet meer zeggen, hè.”

‘U mag zeggen wat u wilt, dat is aan u, maar weet u wát u zegt?

Een paar weken later ontving ik het interview, en zag dat hij me een quote in de mond had gelegd met het woord “blank”.

“Dat kan ik nooit gezegd hebben, wil je dat aanpassen?” mailde ik.

Hij nam het ter harte en ik kreeg het stukje aangepast terug met de woorden:

“Nou niet meer klágen, hè?”

Geschrokken informeerde ik wat hij bedoelde.

“Grapje Etchica… Humor van de witte man. :)”

 

 

You may also like