Tijdens een paasseminar in 2013 werd ik met een vraag het bos ingestuurd. Die luidde: wat is je hartewens? Lekker dan. Ik ging dus het bos in wat ontaarde in een wandeling met flink gepruttel, gepeins, gemok en, zittend op een boomstam,  gepruts op papier. Na twee uren had ik nog geen zinnige wens op papier gezet. Het was tijd voor de klas, een kring met stoelen stond voor ons, twintig leerlingen, klaar. De meest geweldige, inspirerende concrete hartenwensen kwamen voorbij totdat ik aan de beurt was.

‘Ik heb niks,’ en keek mijn leraar Jan de Dreu daarbij opstandig aan.

Met zijn niets ontziende ogen gaf hij mij een priemende blik terug.

Ik zette me schrap. Geen kik zou ik geven, geen kik!

‘Er is nou eenmaal helemaal niets in mij opgekomen,’ zei ik met samengeknepen billen.

Jan begon te zuchten, hief zijn blik omhoog, schudde bijna onzichtbaar met zijn hoofd en richtte zijn ogen weer op mij. Met opgetrokken wenkbrauwen bleef hij mij aanstaren. Negentien paar ogen staarden met hem mee. Het werd muisstil in de klas, het leek of de adem collectief werd ingehouden. De druk werd onhoudbaar en ik barstte.

’Okay, dan. Ik ga een boek schrijven en ik weet de titel ook al, “Dubbelbloed”.’

Het bleef nog een paar seconden stil voordat er voluit en opgelucht gelachen werd.